BOF

Bof (“dikoor”) is een kinderziekte die van oudsher deel uitmaakt van het immunologisch groeiproces van het kind. Het normale verloop van de ziekte is goedaardig.

Ze wordt veroorzaakt door infectie met een virus (paramyxovirus) dat de mens als enige gastheer heeft en overgedragen wordt door speekseldruppeltjes. De incubatietijd duurt gemiddeld 16 tot 18 dagen, maar kan variëren van 2 tot 4 weken. In de dagen voor de ziekte doorbreekt kan men lichte koorts merken, of algemene malaise, of gebrekkige eetlust en hoofdpijn (42).

De symptomen zijn klassiek: eerst is er koorts gedurende enkele dagen, dan wordt het zeer typische beeld van de ziekte duidelijk: zwelling en pijn van de speekselklier aan de kaakhoek (parotisklier). Vrijwel steeds begint de aandoening aan één kant, in drie kwart van de gevallen volgt met enige vertraging ook de andere kant. In 10% kunnen ook andere speekselklieren aangetast zijn (42). Deze ontsteking duurt dan gewoonlijk één tot twee weken. Slikken kan pijnlijk zijn. Bij kinderen verloopt de infectie in 30 à 40% zonder enig symptoom, of als een banale infectie van de bovenste luchtwegen (43).

De aandoening verloopt meestal onder vorm van een epidemie, met tussenpozen van vijf à tien jaar. Voor er gevaccineerd werd bedroegen deze cycli gemiddeld 7 tot 8 jaar, sinds vaccinatie blijkt de cyclus verkort tot 2 à 3 jaar (43). De verworven weerstand na het doormaken is levenslang. Vaak worden er zelfs voldoende antistoffen aangetroffen bij personen die de ziekte doorgemaakt hebben zonder het te weten !

Kinderen maken de ziekte het vaakst door tussen 5 en 9 jaar (42).

Bij de geboorte krijgt het kind een bescherming mee tegen bof. Deze bescherming halveert om de 35 à 40 dagen (42). Vanaf 2 à 3 jaar gaat de natuurlijke immuniteit steil de hoogte in, op 4 à 6 jaar was 50% van de kinderen immuun, en op 14 - 15 jaar was 90% op natuurlijke wijze beschermd tegen de ziekte (42).

In zeer zeldzame gevallen kunnen complicaties optreden zoals hersenvliesontsteking, hersenontsteking, ontsteking van de teelbal of eileider, of van de alvleesklier (4%); blindheid of doofheid. Er treden meer verwikkelingen op bij jongens dan bij meisjes (43). Deze complicaties zijn meestal het gevolg van een foute aanpak, zoals het onnodig onderdrukken van de koorts. Ook al klinken deze verwikkelingen ernstig, de prognose ervan na bof is zeer goed.

Bof meningitis kan voorkomen bij 0,03 tot 0,2% der gevallen. Deze complicatie geneest spontaan binnen de week zonder blijvende schade te veroorzaken (42). De symptomen variëren van lichte bewustzijnsveranderingen tot emotionele labiliteit, prikkelbaarheid en gelokaliseerde neurologische uitingen (42). Mannen worden drie keer zo vaak getroffen dan vrouwen (42).

Bof kan wel een miskraam veroorzaken tijdens het eerste trimester van de zwangerschap, maar aangeboren misvormingen werden nooit vastgesteld (42).

Teelbalontsteking (orchitis) kan optreden bij 20 à 25% van de jongens / mannen die bof doormaken na de puberteit (42), gemiddeld op 29 jaar (de leeftijdslimieten liggen tussen 11 en 64 jaar, met andere woorden: teelbalontsteking is GEEN probleem bij kleine kinderen !!! (42)). Maar zelfs in geval van teelbalontsteking is steriliteit zeer zelden het gevolg hiervan (3) (42). Meestal is de ontsteking éénzijdig; slechts bij 1 op 6 mannen raken beide zaadleiders ontstoken, en zelfs dat leidt zelden tot steriliteit (96).

Nogal wat auteurs stellen vraagtekens bij de melding van overlijdens na bof, en hebben sterke vermoedens dat de eigenlijke doodsoorzaak in de meeste gevallen elders te zoeken was (43).

 

Natuurlijke immuniteit

Overigens is de beste manier om bof NIET door te maken na de puberteit... er voor zorgen dat een kind de ziekte doormaakt VOOR de puberteit, dus door vroegtijdig contact met de ziekte. Dit biedt levenslange immuniteit. Juist deze veilige oplossing wordt verhinderd door vaccinatie van kinderen.

Voor het vaccinatietijdperk was er een spontane evolutie aan de gang naar infectie op jongere leeftijd, met een vermindering van het aantal complicaties tot gevolg (43). Massavaccinaties hebben deze gunstige tendens terug omgekeerd.

In Slovenië had meer dan 50% van de kinderen bof doorgemaakt voor ze 2 jaar oud waren (42).

In Singapore stelde men vast dat 72% van de bevolking tussen 6 maanden en 45 jaar immuun was tegen bof voor er met vaccineren werd begonnen (42).

 

HET VACCIN

Het vaccin tegen bof is in gebruik sedert 1967. Het bevat levende afgezwakte virussen. Er werden vijf verschillende virusstammen gebruikt om een vaccin te maken.

De Jeryl-Lynn stam, genoemd naar het kind bij wie het virus werd geïsoleerd, kreeg in de USA een licentie in 1967. Tegen 1992 waren er al 135 miljoen dosissen van toegediend (42).

De Leningrad-3 stam werd vooral gebruikt in de Sovjetunie en zijn invloedssfeer.

De L-Zagreb stam is een nazaat van de Leningrad-3 stam na verdere bewerking op celculturen van fibroblasten van kippe-embryo’s. Meer dan 10 miljoen dosissen werden gebruikt in het voormalige Joegoslavië tussen 1976 en 1987.

De Rubini stam werd eerst gekweekt op diploïde menselijke cellen, dan op cellen van kippe-embryo’s, en vervogens opnieuw op menselijke MRC-5 menselijke diploïde cellen. Het vaccin kreeg in 1985 een licentie in Zwitserland, en vijf jaar later waren er wereldwijd meer dan 4 miljoen mensen mee gevaccineerd (42). Eerst kende men er een efficiëntie van 95% aan toe, later bleek het echter totaal inefficiënt op langere termijn (zie verder). Om die reden werd het dan ook van de markt gehaald.

De Urabe stam kreeg een licentie in Japan in 1979, nadien ook in België, Frankrijk en Italië. Het virus werd gekweekt in het amnionvocht van bevruchte kippe-eieren, of op celculturen van kippe-embryo’s (42). In 1991 werden reeds meer dan 60 miljoen mensen ingeënt met deze stam (42), in 1992 werd het van de markt gehaald omwille van de frequente nevenwerkingen (zie verder). Canadese studies wezen uit dat het vaccin in feite een mengeling was van het wild type A en een variant G (42).

Vroeger was het vaccin afzonderlijk verkrijgbaar, later gecombineerd met mazelen. Nu is enkel de combinatie met mazelen en rodehond nog beschikbaar.

Bofvaccins bevatten eveneens sorbitol, gehydrolyseerde gelatine en het antibioticum neomycine (42).

 

EFFICIËNTIE

De WHO stelde zich tot doel bof in Europa uit te roeien tegen het jaar 2000 (42). De geschiedenis leert ons dat dit opzet grandioos mislukt is.

In de beginperiode was men, zoals steeds, optimistisch over de behaalde resultaten. Men citeerde 75 tot 95 % effect. Dat wil zeggen : 75 à 95 % van de gevaccineerden produceert in meer of mindere mate antistoffen. Dit betekent meteen ook dat de andere gevaccineerden helemaal geen bescherming hebben na inenting.

Beperkte antistofspiegel

In bepaalde gevallen werd bewezen dat deze antistoffen minstens tien jaar aanhielden. Gemiddeld echter ligt het niveau van die antistoffen vijf maal lager dan bij personen die de natuurlijke ziekte doorgemaakt hebben. Over het nut van dergelijke lage hoeveelheden is men het niet meteen eens. Sommige wetenschappers menen dat dit geen degelijke bescherming biedt, anderen wijzen er op dat er in de praktijk toch een zekere weerstand blijkt te bestaan. Reeds in 1968 heeft de redacteur van het New England Journal of Medicine bedenkingen bij de vaststelling dat na vaccinatie de antistofspiegels amper 15 tot 25% halen van het niveau dat bereikt wordt na doormaken van de ziekte (3).

Beperkte beschermingsduur

De duur van de bescherming na vaccinatie is beperkt. De beschermingsgraad daalt voortdurend na vaccinatie (12) (53). Veel gevaccineerden worden daardoor als puber of jong-volwassene opnieuw vatbaar voor de ziekte, met een hoger risico op complicaties dan op kinderleeftijd. Op langere termijn bekeken vergroot vaccinatie dus het risico op verwikkelingen.

Van Zweedse kinderen gevaccineerd met de Jeryl Lynn stam was na 10,5 jaar 27% niet meer beschermd (13). In Finland had 14% zijn bescherming verloren na 9 jaar, ondanks 1 dosis en twee herhalingen van het vaccin (23).

Wat het voordeel is of was van het vaccin kan enkel aangetoond worden door vergelijking met de toestand voor men begon te vaccineren. Ook hier heeft de NEJM bedenkingen, gezien er amper betrouwbare gegevens beschikbaar waren uit de pre-vaccinatie periode (3).

Beperkte impact op de risico’s

De risico’s van de ziekte werden overdreven om het zogezegde nut van het vaccin aan te tonen.

Zo werd de goedaardige aseptische meningitis of meningo-encephalitis die soms uitgelokt werd door bof, maar geen blijvende letsels naliet, door sommige epidemiologen en door het National Communicable Disease Center voorgesteld als de veel ernstiger vorm, gekend als postinfectieuze encephalitis (3). De auteur legt er de nadruk op dat deze ernstige complicatie na bof extreem zeldzaam is (3).

Een ander levensgroot dreigement na het doormaken van bof is het optreden van steriliteit bij de man door ontsteking van de teelbal (orchitis). Ook hier wordt van een mug een olifant gemaakt (zie boven).

Falen van het vaccin

Goh (1999) beschrijft hoe het gebruik van een vaccin op basis van het Rubini virus geen bescherming bood aan kinderen in Singapore. Erger nog, de beschermingsgraad tegen bof onder gebruik van dit vaccin daalde terug naar waarden van voor de start van de vaccinatiecampagnes, met een heroptreden van de ziekte tot gevolg. Onder intensief gebruik van het vaccin steeg het aantal gevallen van bof van 674 in 1997, naar 1183 in 1998, naar 2586 tijdens de eerste 7 maanden van 1999, met een vermoedelijk eindcijfer van 200/100.000 dat jaar. Bij 43,6% van de gevallen kon men zwart op wit bewijzen dat ze gevaccineerd waren. Van deze gevaccineerden was 73,8% gevaccineerd met de Rubini stam, 21,5 met de Jeryl-Lynnn stam, en 4,6% met de Urabe stam. Er was nauwelijks verschil in het optreden van bof tussen de gevaccineerde (7,9%) en de niet gevaccineerde (9,1%) kinderen. In mei 1999 werd het vaccin dan ook afgevoerd in Singapore (45).

Voorheen was hetzelfde vaccin om dezelfde reden reeds afgevoerd in Zwitserland, Italië en Portugal (91) (44) (42). In Zwitserland kwam men er achter dat de efficiëntie van de Rubini stam op termijn geen 95% was zoals eerst gesteld (cfr. supra), maar slechts 6% (16). Twee andere studies bevestigden deze slechte resultaten (72) (91). Ook in Italië stelde men vast dat kinderen gevaccineerd met deze stam een veel hoger risico op infectie droegen: 1,2 x maal bij kinderen onder de 4 jaar, 3,0 x voor kinderen tussen 4 en 6 jaar, en 12,8 x voor kinderen tussen 7 en 12 jaar (2). In Portugal was er een uitgesproken epidemie van bof in 1995 - 1996, vooral bij kinderen tussen 1 en 4 jaar. analyse van de feiten wees dat deze kinderen uitsluitend met het Rubini vaccin ingeënt waren (26). Men kan zich dan ook de vraag stellen waarom een dergelijk vaccin dan nog in gebruik genomen werd in Singapore, terwijl het faillissement ervan reeds bekend was in de internationale wetenschappelijke litteratuur, inclusief het tijdschrift van de wereldgezondheidsorganisatie ! Blijkbaar spelen wel degelijk andere dan wetenschappelijke maatstaven een doorslaggevende rol !

In Engeland en Wales toonden studies aan dat 15% van de gevaccineerde kinderen voor schoolleeftijd niet beschermd was tegen de ziekte. In plaats van logische conclusies te trekken leidde dit in 1997 tot invoering van een tweede dosis MMR-vaccin op 4 jaar (42).

Epidemieën

Uit de litteratuur blijkt dat er tal van epidemieën zijn opgetreden waarbij ook gevaccineerde personen de ziekte vertoonden.

In Kroatië werd bofvaccinatie ingevoerd in 1976 (L-Zagreb vaccin). In 1977 en 1981-82 traden er desondanks epidemieën van bof uit (42).

De USA kende een uitgesproken bofepidemie in 1985-86, terwijl het vaccin er al ingevoerd was in 1967 (42). 18 jaar nadat men er begon te vaccineren zag men het aantal gevallen van bof bij universiteitsstudenten in Illinois 2,5 maal toenemen (1986), en het jaar nadien was dat reeds vier maal zoveel. Ook in het secundair onderwijs was er plots, voor het eerst in de geschiedenis, een spectaculaire toename van bof (82).

Aantal gevallen:

USA: 1985: 3130, 1986: 7790, 1987: 12848

In 1986, dus 18 jaar na het invoeren van het vaccin, trad nog een toename op van 2,5 keer in vergelijking met het jaar tevoren, en het jaar daarop was dit opgelopen tot 4,1 keer.

Tijdens deze epidemieën was er een hoge graad van complicaties ter hoogte van de hersenvliezen (17%) en de teelballen (19%) (83). Ter vergelijking: de cijfers voor meningeale complicaties in de periode voor men vaccineerde lagen veel lager: 9,8% (Doptor, 1911) en zelfs 0,15-0,5% (Paddock, 1932 en Coe, 1945).

In Quebec, Canada, was er een epidemie in 1988-89 (24).

Zwitserland kende een enorme opstoot van bof in de jaren ‘90, met meer dan 400 gevallen / 100.000 inwoners. Oorzaak was het gebruik van het onwerkzame Rubini-vaccin (42).

Portugal kende een opstoot van bof in 1995 met 1841 gevallen, en nog eens 7620 in de eerste 8 maanden van 1996, ondanks invoering van het BMR-vaccin in 1987 (26). Dit gebeurde na invoering van het Rubini-vaccin in oktober 1992.

In Nederland was er in 2008 een bofepidemie, met 61 serologisch bevestigde gevallen, maar wellicht waren het er veel meer; een deel van de patiënten was twee maal gevaccineerd tegen bof (97).

Leeftijdsverschuiving

Wanneer we het effect van vaccinatiecampagnes nagaan op het voorkomen van bof, dan zien we dat er ten gevolge van het vaccineren een spectaculaire toename is van bof op latere leeftijd, dat wil zeggen: na de puberteit. De leeftijd waarop bof optrad was dus verschoven van de kinderleeftijd naar adolescenten en jonge volwassenen. Waar zij vroeger, meestal zonder complicaties, optrad op jonge leeftijd (4-6 jaar), komt ze omwille van het vaccineren steeds vaker voor op oudere leeftijd (15-30 jaar) (42). Precies in deze leeftijdsgroep ligt het risico op complicaties een stuk hoger ! Algemeen geeft men toe dat “historisch gezien, bof gezien wordt als een goedaardige aandoening, tenminste bij jongere personen” (83) . Maar de ziekte wordt gevaarlijker op latere leeftijd. “Epididymo-orchitis trad op bij niet minder dan 38% van postpubertaire jongens en mannen die de ziekte doormaakten.” (83)

In de USA verschoof de gemiddelde leeftijd voor het doormaken van bof van 5 à 9 jaar voor de vaccinatiecampagnes naar 10 - 19 jaar na deze campagnes (42) (83)..

In Kroatië zag men een leeftijdsverschuiving optreden na invoering van het vaccin. Tussen 1976 en 1982 was het vooral de klassieke leeftijdsgroep tussen 5 en 9 jaar die bof kreeg; tussen 1983 en 1990 verschoof deze leeftijd echter naar 15 - 19-jarigen (42)!

Deze leeftijdsverschuiving maakt jonge zwangere vrouwen ook gevoeliger voor de gevolgen van een infectie tijdens de zwangerschap, zoals aangeboren doofheid en een toename van de foetale mortaliteit.

 

VEILIGHEID

ALGEMEEN

In de UK slaagde men er tot twee maal toe in een bofvaccin te gebruiken dat vervallen was. Een eerste keer werd een Canadees vaccin gekocht dat daar verboden was geworden omwille van veiligheidsproblemen. In 2012 werd een ander bof monovaccin aangeschaft (Pavicac) dat in 2002 zijn licentie verloor omwille van veiligheidsredenen. Om het publiek te misleiden werd het oude vaccin omgedoopt tot Medi-Mumps.

ALGEMENE SYMPTOMEN

  • Hoge koorts is beschreven als gevolg van bofvaccinatie.
  • Allergische reacties zijn bekend, zoals anaphylactische shock. De componenten neomycine en gelatine kunnen overgevoeligheidsreacties uitlokken (42).

NEUROLOGISCH

In de periode voor de vaccinaties hun intrede hadden gedaan was er blijkbaar weinig reden tot ongerustheid over mogelijke neurologische complicaties van mazelen. Russell & Donald, 1958, schrijven: “Bof meningitis is een opmerkelijk goedaardige toestand die meestal verschijnt een paar dagen na de klierverdikking en die verdwijnt zonder complicaties op drie of vier dagen tijd.” (79)

Maar na invoering van het vaccin beginnen een aantal complicaties boven water te komen in de medische literatuur.

Koortsstuipen traden op, 9 dagen na Mumpsvax (33). Ehrengut bevestigt de mogelijkheid van koortsstuipen na bofvaccinatie (34).

Epilepsie,

Ehrengut vermeldt een geval van petit mal 14 dagen na MMR-Vax (Jeryl-Lynn), en één van grand mal, 8 dagen na M-M-Vax (33).

Ataxie werd eveneens vastgesteld door Ehrengut, 13 dagen na M-M-Vax (33).

Verschillende vormen van ontsteking van het centraal zenuwstelsel werden vastgesteld na bofvaccinatie:

Meningitis

Na vaccinatie werd herhaaldelijk aseptische meningitis vastgesteld. Dit is een goedaardige vorm die spontaan geneest zonder letsels na te laten.

Quast (1979) somde 4 gevallen op na Mumpsvax (Jeryl Lynn virus) (77).

Böttiger (1987) meldde meningitis na bofvaccinatie (11).

Champagne (1987) meldt vanuit Canada een geval van meningitis na Trivirix (17).

Als commentaar hierbij voeren Furesz en Hockin nog twee gevallen aan (39).

Zelf brengen Furesz en Hockin (1987) nog een geval te berde (38). Zij berekenden de frequentie van centraal-nerveuze complicaties na Urabe-virus vaccins op 1/70.000 à 200.000 (38).

Het probleem werd beschreven door Azzopardi (1988) (8).

Furesz en Hockin (1988) stellen meningitis vast na zowel Jeryl-Lynn als Urabe virus vaccins (40). Zij constateerden dat kinderen na vaccinatie met de Urabe-stam binnen de 4 weken na vaccinatie 13,2 keer meer risico liepen op hospitalisatie wegens bof meningitis (40).

Thomas (1988) beschrijft eveneens een geval van bof meningitis na vaccinatie (90).

Eguiluz (1989) komt een jaar later ook met een geval op de proppen (28).

Ehrengut (1989) somt 6 gevallen op van meningitis, waarvan 1 na Pariorix (bof: Urabe, SK-RIT), 1 na Rimparix (bof: Urabe - mazelen: Schwarz), SK-RIT, 3 na Mumpsvax (bof: Jeryl-Lynn, MSD), 1 na M-M-Vax (bof: Jeryl-Lynn - mazelen: Moraten, Merck). (33). In 2 van deze gevallen werd het bofvirus geïsoleerd uit het ruggenmergvocht van de patiënt. Een daarvan was een zesjarige jongen met meningitis, 21 dagen na vaccinatie met Mumpsvax (Jeryl-Lynn virus). Hij genas na 2 weken hospitalisatie (34). Het tweede geval werd beschreven door Von Mühlendahl (1989) en trad op 21 dagen na Rimparix (bof (Urabe)-mazelen vaccin (94).

Dittmann kwam op de proppen met cijfers van 1 meningitis op 800.000 à 3.600.000 vaccinaties met de Jeryl-Lynn stam, en op 1 geval per 70.000 à 500.000 vaccinaties voor de Urabe Am 9 stam (27). Later zou blijken dat deze ramingen onterecht optimistisch waren. MSD zelf hield het op 1 geval van meningitis op 1,8 miljoen vaccinaties (67).

Berucht is het fiasco met de vaccins Pluserix (BMR) en Pariorix (bof) van Smith-Kline RIT, de voorloper van het huidige GSK. Beide vaccins bevatten de bofvirus-stam Urabe Am 9 waarvan bij hoog en bij laag beweerd werd dat hij veilig was, met een frequentie van meningitis na vaccinatie van niet meer dan 1/1.000.000. In 1992 echter merkte men in Canada dat de frequentie veel hoger lag (41). Na jarenlang gebruik werd voor het eerst het ware risico duidelijk, met een frequentie van meningitis na vaccinatie van 1/1.000. Meteen verdwenen beide vaccins van de markt...

In Engeland werd in 1988 het BMR-vaccin ingevoerd. In 1990 werd daaraan een bewakingssysteem gekoppeld, waardoor bij alle meningitisgevallen binnen 30 dagen na vaccinatie de identiteit van het virus nagegaan wordt. Hieruit bleek al snel dat er van de 76 eerste meningitisgevallen er 23 veroorzaakt waren door het Urabe bofvirus uit het vaccin. Alle slachtoffers waren met een Urabe-houdend BMR-vaccin ingeënt. De meningitis trad op 2 tot 4 weken na vaccinatie. Hieruit kon men een frequentie berekenen van 1 meningitis op 233.000 vaccinaties (27). Later zou blijken dat het reële cijfer nog een stuk hoger lag (1/ 1.000).

In Slovenië (1989) vond men 20 gevallen / 100.000 vaccins na het Leningrad-3 vaccin tijdens het toezicht op het vaccin (57). Maar tijdens een prospectieve studie over het mazelen bof vaccin met dezelfde stam in hetzelfde land liep dit aantal op tot 100/100.000 (19).

In Nottingham (UK) werden destijds 6 gevallen van meningitis na bofvaccinatie vastgesteld. Bij twee van de slachtoffers werd de Urabe bofvirusstam uit het ruggenmergvocht geïsoleerd. Hieruit berekende men dat een bofmeningitis optrad in 1/11.000 voor virologisch bewezen gevallen, en in 1/4.000 voor alle BMR-vaccinaties samen. Deze vaststelling werd gevolgd door een uitgebreider studie, die aantoonde dat het vaccin 9 gevallen van aseptische menintitis per 100.000 vaccinaties uitlokte (65).

Hierop werd het vaccin in 1992 in Engeland van de markt genomen. Ook in Duitsland werd de licentie voor hetzelfde bofvaccin opgeheven (27).

In Japan werd in 1989 door Sugiura een veiligheidsstudie uitgevoerd over vaccins met de Urabe Am 9 stam, die eveneens de risico’s van dit vaccin blootlegde. Na het enkelvoudig vaccin constateerde men meningitis bij 1/8.681 gevaccineerden, na het BMR-combinatievaccin 1/6564 (88). Ook Fujinaga (1991) rapporteerde bof meningitis na BMR-vaccinatie (37). Ueda vermeldt dat de frequentie waarmee het probleem optrad toenam naarmate het vaccin langer in gebruik was (92).

Colville (1992) geeft het probleem aan (20).

In Kroatië (1993) constateerde men 90 gevallen / 100.000 na het L-Zagreb vaccin (89).

Gevallen van aseptische meningitis in Canada wezen uit dat deze problemen vooral door een wildtype A uit het vaccin veroorzaakt werden (14). Daarop haalde het land het vaccin uit de handel (41).

In Japan stelde het ministerie van volksgezondheid en welzijn tijdens een zelf opgezette studie vast dat het door het gebruikte BMR-vaccin, met de Urabe stam, 49 gevallen van aseptische meningitis / 100.000 vaccins uitlokte (88). In daaropvolgende studies rees dit cijfer zelfs tot 100 gevallen/ 100.000 vaccinaties. In april 1993 trok de overheid dan ook alle licenties in van zelf geproduceerde MHW-vaccin (92) (61). Maar ook bij andere BMR-vaccins werd een verrassend hoge frequentie van aseptische meningitis vastgesteld: 1/938 na het Takeda vaccin, en 1/536 na het Kitasato vaccin (92).

Dittmann vermeldt verschillende gevallen in Duitsland (27).

In de USA (1997) werd na de Jeryl-Lynn stam 1 geval / 100.000 vastgesteld bij kinderen tussen 12 en 23 maanden (9).

We stellen dus vast dat bof-meningitis zowel door een Jeryl Lynn virus houdend vaccin als door het Urabe Am 9-houdend vaccin kan uitgelokt worden (33).

Encephalitis (hersenontsteking) werd geboekstaafd door Ehrengut, in één geval 12 dagen na Mumpsvax, en in 2 gevallen, respectievelijk 9 en 10 dagen na M-M-Vax, een derde geval ging gepaard met een hemiparese (zie verder) (33).

Ehrengut heeft het zelfs over terugkerende (“recurrente”) encephalitiden na vaccinatie (34).

Dr. Suzanne Crowley berekende het aantal bof-encephalitissen na BMR-vaccinatie op 1/100.000 (22).

Uit eigen praktijk zijn me drie gevallen bekend van bof encephalitis na BMR-vaccinatie, met ernstige blijvende neurologische schade.

Meningoencephalitis :

Forster en Urbanek (1982) beschreven een geval, 9 dagen na M-M-Vax, dus na het Jeryl Lynn-vaccin dat veilig wordt geacht, bij een kind dat gelijktijdig een asymptomatische Epstein-Barr virusinfectie doormaakte (36).

1 geval werd beschreven door Ehrengut (1989) 9 dagen na M-M-Vax (33) ;

Jorch (1984) meldde een fataal aflopend geval 7 dagen na M-M-Vax (56).

Encephalopathie: Ehrengut beschrijft 1 geval van encephalopathie, 8 dagen na M-M-Vax(33).

Verlammingen

  • Hemiparese (eenzijdige krachtvermindering) werd genoteerd 8 dagen na MMR-Vax, en 14 dagen na M-M-Vax (33).
  • Neuritis optica (oogzenuwontsteking) werd vastgesteld.

 

ENDOCRINOLOGIE

Diabetes type 1 (insulinebehoeftig) kan veroorzaakt of, in een later fase, uitgelokt worden door het bof vaccin (29), (60). De frequentie wordt geschat op 1/500 000. Blijkbaar is er een genetische predispositie gezien 97% van de slachtoffers drager zijn van het HLA-DR3 en DR4 alleel. Dit bevestigt vroegere observaties over de affiniteit van het bofvirus voor de pancreas. Diabetes die vastgesteld wordt tot drie weken na vaccinatie kan beschouwd worden als veroorzaakt door het vaccin. De meeste gevallen treden op na 12 à 14 dagen (29).

Ehrengut geeft toe dat diabetes als auto-immuunaandoening na vaccinatie met een levend virus zeker mogelijk is (29). Hij leverde ook het bewijs dat het virus na vaccinatie in de bloedbaan aanwezig is (31).

Diabetes wordt in Duitsland vergoed als vaccinatieschade. In 1989 vermeldt Ehrengut nog drie gevallen van postvaccinale diabetes die hiervoor in aanmerking kwamen (34).

Sinanotis et al beschrijven zelfs een geval bij een zesjarig jongetje een maand na vaccinatie (82).

 

GENITAAL

De leeftijdsverschuiving voor bof die optrad na invoering van vaccinatie (1967) veroorzaakte een belangrijke toename van orchitis (teelbalontsteking) als verwikkeling van deze ziekte.

Sommige studies tonen bovendien de beschermende rol aan die klinische bof (en mazelen en rode hond) speelt tegenover het optreden van eierstokkanker (95), (68), (63). Het is niet alleen belangrijk de ziekte in zijn volledige klinische vorm door te maken, het is eveneens belangrijk dat dit gebeurt voor de puberteit (63).

 

NEUS-KEEL-OOR

Speekselklierontsteking (parotis) na vaccinatie, zowel met Jeryl Lynn als met Urabe Am 9 virus vaccins (31).

Enkelzijdige doofheid werd beschreven.

 

HUID

Petechiae (huidbloedinkjes) werden beschreven.

Bovenop de directe verwikkelingen van het vaccin wordt er, ook in de klassieke literatuur, gewezen op de gevaren die bestaan bij elke vaccinatie met levend virus. Hierbij worden vermeld : vermenging met andere virussen of stoffen, overgevoeligheidsreacties en kankerverwekkende eigenschappen. Bijna altijd wordt bof ingeënt samen met mazelen en rode hond. In deze combinatie moeten natuurlijk de specifieke risico’s van beide andere vaccins bijgeteld worden.

 

NUT

Een vroegtijdige studie over bof en zijn gevolgen concludeerde dat er eigenlijk geen behoefte was aan veralgemeende vaccinatie (7).

Naast al de genoemde gevaren of verwikkelingen van vaccinatie is er nog de vraag naar het nut ervan. Is bof een ziekte die moet voorkomen worden ? Zware verwikkelingen zijn uiterst uitzonderlijk. Het gevaar voor onvruchtbaarheid is nooit bewezen, en berust dus op een wijdverspreid sprookje. Wel bewezen is het feit dat het doormaken van bof (of een andere kinderziekte) beschermt tegen eierstokkanker op latere leeftijd. Deze bescherming is duidelijk groter wanneer deze ziekten doorgemaakt worden voor de puberteit.

Vaccinatie na contact met bof is niet zinvol (32).

Een laag vaccinatiepercentage (50%) leidt zelfs tot een verslechtering van de situatie, door de toename van complicaties bij een hoger aantal bofgevallen op latere leeftijd (43). Galbraith spreekt zelfs over een regelrechte “contra-indicatie” voor veralgemeende vaccinatie. Te meer omdat reeds voor het vaccinatietijdperk duidelijk was dat 90% van de bevolking immuun was, zonder inentingen (66)!!

 

VACCINATIESCHEMAS

In België worden baby’s gevaccineerd rond 15 maanden, met een herhaling op 12 jaar.

In Nederland wordt een rappel reeds op 9 jaar gegeven.

De oorspronkelijke garantie dat één enkele dosis levenslange immuniteit zou verstrekken werd al snel door de feiten achterhaald. Daarop werd een nieuwe strategie naar voor geschoven, met een tweede dosis, meestal rond 11-12 jaar. Maar ook deze strategie kon het optreden van nieuwe epidemieën niet voorkomen.

In de oudere litteratuur werd voorgesteld het vaccin voor te behouden voor pre-adolescenten en adolescenten die de ziekte nog niet hebben doorgemaakt (3).

 

GEBRUIKTE PRODUCTEN

In België zijn enkel combinatievaccins beschikbaar.

Vaccins gericht tegen mazelen, bof en rodehond:

MMR-VAXPRO (Sanofi Pasteur MSD), bevat neomycine

PRIORIX (GSK) (21,80 €): bevat Neomycine.

Deze vaccins mogen enkel onderhuids ingespoten worden.

Vaccin gericht tegen mazelen, bof, rodehond en varicella:

PRIORIX TETRA (GSK): (63,93 €): bevat neomycine

 

TEGENINDICATIES

Allergie voor het antibioticum neomycine, of voor eieren.

Zwangerschap is een absolute tegenindicatie (42). Zwangerschap moet worden vermeden tot 3 maanden na vaccinatie (42).

Diabetes of suikerziekte, evenals voortekenen hiervan of het voorkomen in de

familie, is een gegronde reden om niet in te enten.

Indien antistoffen tegen bof kunstmatig toegediend zijn, of na bloed- of plasmatransfusie, mag de eerste drie maanden nadien niet ingeënt worden.

Verder gelden de algemene tegenindicaties zoals voor elke vaccinatie : alle infecties, tuberculose, cortisone, kankerbehandeling, bloedafwijkingen.

Bij immuundeficiëntie is vaccinatie tegenaangewezen (42).

Vaccinatie na contact met het wildvirus heeft geen zin (29).

 

BESLUIT

Bof is op zichzelf een onschuldige kinderziekte. Het doormaken ervan geeft de garantie van levenslange immuniteit, en biedt bovendien nog een extra bescherming tegen ernstige ziekten in het latere leven. Vaccinatie heeft voor gevolg dat de ziekte verschuift naar latere leeftijd, wanneer er zich veel meer ernstige verwikkelingen voordoen dan tijdens de kinderjaren. Ook de immuniteit van (aanstaande) jonge moeders is minder goed als ze gevaccineerd zijn. Het is dus van het grootste belang dat elk kind volop de kans krijgt bof door te maken voor zijn puberteit. Vaccinatie is daarom absurd en nadelig.

Het onderscheid dat in de litteratuur gemaakt wordt tussen de Urabe virusstam en de Jeryl-Lynn stam gaat slechts ten dele op. Waar blijkt dat de complicaties van de Urabe stam onaanvaardbaar waren, en het vaccin terecht verlaten werd in 1992, is ook de Jeryl-Lynn stam alles behalve vrij van nevenwerkingen. Het huidige vaccin met die stam is dus geenszins vrij te pleiten van complicaties, en dus te mijden.

 

Referenties

  1. Anon. Seroepidemiology of measles, mumps and rubella, Singapore. Weekly epidemiological record, 1992, 67(31): 231–233.
  2. Anon. Benevento and Compobasso Pediatricians Network for the Control of Vaccine-Preventable Diseases. Field evaluation of the clinical effectiveness of vaccines against pertussis, measles, rubella and mumps. Vaccine, 1998; 16: 818–822
  3. Editorial. Mumps vaccine: more information needed. NEJM 1968; 278:275-6
  4. ACIP. Recommendations of the Advisory Committee on Immunizations Practices (ACIP). Update: Vaccine side effects, adverse reactions, contraindications, and precautions. MMWR, 1996; 45:N° RR-12, section mumps vaccine adverse effects of vaccine use p. 19
  5. Albonico, H.U.; Argumente gegen die routinemässige Mumpsimpfung. Sozial-und Präventivmedizin,1995
  6. Albonico, H.U.; Arguments against routine mumps immunization. J anthropos med, 1996; 13/2:1-10
  7. Association for the study of infectious disease. A retrospective survey of the complications of mumps. J Roy Coll Gen Practit, 1974; 24:552-56
  8. Azzopardi, P; Mumps meningitis, possibly vaccine related. Ontario Canada Dis Weekly Rep 1988; 14:209-10
  9. Black S et al. Risk of hospitalization because of aseptic meningitis after measles–mumps–rubella vaccination in one- to two-year-old children: an analysis of the Vaccine Safety Datalink (VSD) Project. Pediatric infectious disease journal, 1997, 16: 500–503.
  10. Blom, L.; Nystrom, L.; Dahlquist, G.; The Swedish childhood diabetes study: vaccinations and infections as risk determinants for diabetes in childhood. Diabetologica, 1991; 34:176-81
  11. Böttiger, M.; Christenson, B.; e.a. Swedish experience of two dose vaccination programme aiming at eliminating measles, mumps and rubella. BMJ 1987; 295:1264-7
  12. Briss, P.A.; et al. Sustained transmission of mumps in a highly vaccinated population: assessment of primary vaccine failure and waning vaccine–induced immunity. Journal of infectious diseases, 1994; 169: 77–82.
  13. Broliden K et al. Immunity to mumps before and after MMR vaccination at 12 years of age in the first generation offered the two–dose immunization programme. Vaccine, 1997, 16: 323–327.
  14. Brown, E.G.; Dimock, K.; Wright, K.E.; The Urabe AM9 mumps vaccine is a mixture of viruses differing at amino acid 335 of the hemagglutinin–neuraminidase gene with one form associated with disease. J infect dis, 1996; 174: 619–22.
  15. Buchwald, G.; Impfen. Das Geschäft mit der Angst. Emu-Verlag, Lahnstein, 1994
  16. Chamot, E.; et al. [Estimation of the efficacy of three strains of mumps vaccine during an outbreak in Geneva State (Switzerland)]. Epidemiology and public health, 1998; 46:100–107.
  17. Champagne, S.; Thomas, E.; A case of mumps meningitis: a post-immunization complication? Can Dis Weekly Rep, 1987; 13-35:156-7
  18. CDC. Mumps - United States, 1985-86267. MMWR, 1987; 36:151-5
  19. Cizman M et al. Aseptic meningitis after vaccination against measles and mumps. Pediatric infectious disease journal, 1989, 8: 302–308.
  20. Colville, A.; Pugh, S.; Mumps meningitis and measles, mumps, and rubella vaccine. Lancet, 1992; 2:786
  21. Creighead, J.E.; The role of viruses in the pathogenesis of pancreatic disease and diabetes mellitus. Progress in Medical Virology, 1975; 19:161-214
  22. Crowley, S.; Al-Jawad, S.T.; Kovar, I.Z.; Mumps, measles, and rubella vaccination and encephalitis. BMJ, 1989; 299:660
  23. Davidkin I, Valle M, Julkunen I. Persistence of anti-mumps virus antibodies after a two-dose MMR vaccination: a nine- year follow-up. Vaccine, 1995; 13: 1617–1622.
  24. De Serres, G.; et al. Epidemiology of mumps in Quebec, 1970–1995. Canada communicable disease report, 1997; 23(2): 1–4.
  25. Deutsche Vereinigung zur Bekämpfung der Viruskrankheiten. Mumpsschutzimpfung und Diabetes Mellitus (Typ I). Bundesgesundheitsblatt, 1989; 32:237
  26. Dias, J.A.; et al. Mumps epidemic in Portugal despite high vaccine coverage— preliminary report. Eurosurveillance, 1996, 1: 25–28.
  27. Dittmann, S.; Zentralnervöse Komplikationen der Masern-Mumps-Röteln-Impfung. ??, 229-30
  28. Eguiluz, G.C.; Trallero, E.P.; Mumps meningitis following measles, mumps and rubella immunization. Lancet, 1989; ii:394
  29. Ehrengut, W.; Diabetes Mellitus juvenilis Typ I nach Mumpsschutzimpfung : ein Impfschaden? Päd. Praxis 35; 427
  30. Ehrengut, W; Georges, AM; André, FE; J Biol Standard 1983; 11:105-9
  31. Ehrengut, W.; Friedland, R.; Vergleich der Reaktogenität von zwei Masern-Mumps Vakzinen bei Kleinkindern. Münch Med Wochenschr, 1984; 126:747-8
  32. Ehrengut, W.; Mumpsschutzimpfung. In: O. Gsell, U. Krech, W; Mohr: Klinische Virologie. Urban & Schwarzenberg 1985; 448-53
  33. Ehrengut, W; Mumps vaccine and meningitis. Lancet, 1989; II(23 Sept):751
  34. Ehrengut, W; Zastrow, K; Komplikationen "nach" Mumpsschutzimpfungen in der Bundesrepublik Deutschland (einschliesslich Mehrfachschutzimpfungen). Mschr Kinderheilk, 1989; 137:398-404
  35. Ehrengut, W.; Attenuierung und Antigenität der Mumpsvakzine. Pädiat prax, 1990; 40:379-81
  36. Forster, J.; Urbanek, R.; Encephalitis nach Masern-Mumps-Impfung und gleichzeitiger EBV-Infektion. Klin Pädiatr,1982; 194:29-30
  37. Fujinaga, T.; et al A prefecture-wide survey of mumps meningitis associated with measles, mumps and rubella vaccine. Pediatr Infect Dis J, 1991; 10:204-9
  38. Furesz, J.; Hockin, J.C.; A case of mumps meningitis; a post-immunization complication ? Can Dis Wkly Rep, 1987; 13-35:155-7
  39. Furesz, J.; Hockin, J.C.; Commentary to ref 1 (Champagne). Can Dis Weekly Rep, 1987; 13-35:156-7
  40. Furesz, J; Hockin, JC; Mumps meningitis, possibly vaccine related. Can Dis Weekly Rep 1988; 14/40: 209-11
  41. Furesz, J.; Contreras, G.; Vaccine-related mumps meningitis - Canada. Cann Dis Wkly Rep, 1990; 16:253-4
  42. Galazka, A.M.; Robertson, S.E.; Kraigher, A.; Mumps and mumps vaccine: a global review. Bull WHO, 1999:3-14
  43. Galbraith, N.S.; Young, S.E.J.; Pusey, J.J.; Crombie, DL; Mumps surveillance in England and Wales 1962-81 Lancet, 1984; 1:91-4
  44. Germann, D.; Strohle, A.; Eggenberger, C.A.; et al An outbreak of mumps in a population partially vaccinated with the Rubini strain. Scand J Infect Dis, 1996; 28:235-8
  45. Goh, K.T.; Resurgence of mumps in Singapore caused by the Rubini mumps virus vaccine strain. Lancet, 1999; 354:1355
  46. Gray, J.A.; Burns, S.M.; Mumps vaccine meningitis. Lancet, 1989; II: 927
  47. Gray, JA; Burns SM; Mumps meningitis following measles, mumps, and rubella immunisation. Lancet, 1989 II; 98
  48. Harris, H.F.; A case of diabetes mellitus quickly following mumps. Boston Medical and Surgical Journal, 1899; 140/465
  49. Hayden, G.F.; Preblud, S.R.; Orenstein, W.A.; e.a. Current status of mumps and mumps vaccine in the United States. Pediatrics, 1978; 62:965-9
  50. Healy, C.E.; Mumps vaccine and nerve deafness. Am J dis child, 1972; 123:612
  51. Heintz, R.; Diabetes nach Mumpsimpfung. Erkrankungen durcht Arzneimittel, Thieme Stuttgart, 1978/520
  52. Helmke, K.; et al; Islet cell antibodies and the development of diabetes mellitus in relation to mumps infection and mumps vaccination. Diabetologica, 1986; 20:29:30-33
  53. Hersh BS et al. Mumps outbreak in a highly vaccinated population. J. Ped, 1991;119: 187–93
  54. Hilleman, R.M.; Buynak, E.B.; Weibel, R.E.; et al. Live, attenuated mumps-virus vaccine. NEJM 1968; 278:227-32
  55. Hinden, B.; Mumps followed by diabetes. Lancet, 1962; 1/1381
  56. Jorch, G.; Kleine, M.; Erwig, H.; Koinzidenz von Virusenzephalitis und Masern-Mumps-Impfung. Mschr. Kinderheilkd, 1984; 132:299-300
  57. Kraigher A. [Monitoring side-effects and adverse eventsfollowing immunization against measles and mumps in a national vaccination programme in Slovenia from 1982 to 1986]. Dissertation, Medical Faculty, Zagreb, Croatia, 1990 (in Slovenian).
  58. Kremer, H.U.; Juvenile diabetes as a sequel to mumps. Americal Journal of Medicins, 1947; 3/2:257-8
  59. Lavergne, B.; Frappier-Davignon, L.; Clinical trial of trivirix R for measles, mumps and rubella vaccination. Can Dis Weekly Rep, 1986; 12-19:85-88
  60. Maass, G.; Mumpsschutzimpfung und Diabetes Typ I. Stellungnahme der Deutschen Vereinigung zur Bekämpfung der Viruskrankheiten e.V. Päd. Praxis 34; 288 (60)
  61. Maruyama, H.; Tomizawa, I.; Reports on aseptic meningitis after MMR vaccination. Clin Virol, 1994; 22:77-82
  62. McCrae, W.M.; Diabetes mellitus following mumps. Lancet, 1963; 1/1300
  63. McGowan, L.; The Woman at Risk for Developing Ovarian Cancer. Gynecologic oncology, 1979; 7:325-44
  64. Messaritakis, J.; Karabula, C.; Kattamis, C.; Matsaniotis, N.; Diabetes following mumps in sibs. Arch Dis Child, 1971; 46:561
  65. Miller, E.; et al Risk of aseptic meningitis after measles, mumps, and rubella vaccine in UK children. Lancet, 1993; 341/8851:979-82
  66. Mortimer, P.P.; Mumps prophylaxis in the light of a new test for antibody. BMJ, 1978; ii, 1523-24
  67. Nalin, D.R.; Mumps, measles, and rubella vaccination and encephalitis. BMJ, 1989; 299:1219
  68. Newhouse, M.L.; et al A case control study of carcinoma of the ovary. BJ prev. soc. med., 1977; 31:148-53
  69. Oehme, J.; Siegert, R.; Indikationen zur Mumps-Impfung. Päd. Praxis 1975;16: 8
  70. Olivares, M.; La anemia de una infección vírica leve: la vacunación del sarampión como modelo. Pediatrics, 1989; 28/5:
  71. Otten, A.; Helmke, K.; et al; Mumps, mumps vaccination, islet cell antibodies and the first manifestation of diabetes mellitus type I . Behring Institute Mitteilungen, 1984; 75:83-8
  72. Paccaud, M.F.; et al. [Two mumps outbreaks in retrospect]. Sozial- und Präventivmedizin, 1995, 40: 72–79.
  73. Patrick, A.; Acute diabetes following mumps. BMJ, 1924; 2/802
  74. Pawlowski, B.; Gries, F.A.; Mumpsimpfung und Typ-I-Diabetes. Dtsch Med Wschr, 1991; 116:635
  75. Prince, G.A.; et al Infection of human pancreatic beta cell cultures with mumps virus. Nature, 1978; 271:158-61
  76. Pugh, R.N.; et al An outbreak of mumps in the metropolitan area of Walsall, UK. Int J Infect Dis 2002; 6: 283-287
  77. Quast, U; Hennessen, W; Widmark, R.M.; Vaccine-induced mumps-like disease. Dev Biol Stand 1979; 43:269-72
  78. Quast, U.; Thilo, W.; Fescharek, R.; Impfreaktionen - Bewertung und Differentialdiagnose. 2. Auflage. Hippokrtes, Stuttgart 1997. Kapitel Mumps S. 87-93
  79. RussellL, R.R.; Donald, M.B.; The Neurological Complications of Mumps BMJ 1958; 2: 27-30
  80. Saijo, M.; [Central nervous system infection caused by mumps virus]. ippon Rinsho. 1997 Apr;55(4):870-5. (Review. Japanese)
  81. Scheibner V.; Vaccination: the medical assault on the immune system. Scheibner, 1993
  82. Sinaniotis, C.A.; Daskalopulou, E.; Laptasanis, P.;e.a Diabetes mellitus after mumps vaccination Arch Dis Child 1975; 50:749-50
  83. Sosin, D.M.; et al Changing Epidemiology of Mumps and its Impact on University Campuses Pediatrics 1989; 84/5, 779-84
  84. Spiess, H.; Mumps-Prävention. Dtsch. med. Wschr., 1982; 23/107
  85. Stickl, H.; Mumpsimpfung und Typ I-Diabetes. Päd. Praxis 36; 14
  86. Stickl, H.; Mumpsinkubationsimpfung. Päd. Praxis 1980; 23: 234
  87. STIKO Sitzung der Ständigen Impfkommission des Bundesgesundheitsamtes - Empfehlungen zur Mumps-Schutzimpfung. Bundesgesundheitsblatt, 1977; 5/73-74
  88. Sugiura, A.; Yamada, A.; Aseptic meningitis as a complication of mumps vaccination. Pediatr Infect Dis J, 1991; 10:209-13
  89. Tesovic, G.; Begovac, J.; Bace, A.; Aseptic meningitis after measles, mumps, and rubella vaccine. Lancet, 1993; 341: 1541.
  90. Thomas, E.; A case of mumps meningitis: a complication of vaccination? Can Med Assoc J, 1988; 138:135
  91. Toscani, L.; Batou, M.; Bouvier, P.; et al Comparaison de l’efficacité de différentes souches de vaccin ourlien: une enquête en milieu scolaire. Soz Praventivmed, 1996; 41:341-7
  92. Ueda, K.; et al Aseptic meningitis caused by measles-mumps-rubella vaccine in Japan. Lancet, 1995; 346:701-2
  93. Vandermeulen, C.; Goubau, P.; Hoppenbrouwers, K.; et al Outbreak of mumps in a vaccinated child population: a question of vaccine failure? Vaccine, 2004; 22/21-22:2713-6
  94. Von Mühlendahl, K.E.; et al Mumps meningitis following measles, mumps, and rubella immunisation. Lancet, 1989 II; 8659:394
  95. West, R.O.; Epidemiologic study of malignancies of the ovaries. Cancer 1966; 19:1001-7
  96. https://nl.wikipedia.org/wiki/Bof
  97. www.nu.nl/algemeen/1533260/bofepidemie-treft-biblebelt.html