Dieren

VACCINATIE BIJ DIEREN

PROLOOG

We gingen Prudence afhalen aan de kennel.  Pat Barlett leidde ons naar de puppies.  Er waren er een stuk of acht, vette inktvisachtige kleine hoopjes gefriemel, rollend en dollend, met slaperige ogen,  strompelend en vallend over mekaar, zich wars van elke angst in onze armen werpend.  Toen legde Oliver beslag op mijn vingers in zijn kleine muiltje, en Prudence ging voor John zitten en deed hem een leuk blafje cadeau, en zij twee, Oliver en Prudence, werden de hartmagneten, en John en ik werden het metaalvijlsel dat ze aantrokken.  Oliver en Prudence werden onze hartediefjes, geboren in de lente, en geplukt in volle bloei.

Kort nadat John en ik trouwden verwelkomden we een Golden Retriever met de naam Chappie in ons huis.  Toen kwam Sophie, toen Oliver en Prucence.  Deze hond-kinderen vulden ons huis met vreugde.  Het was gewoon idyllisch.  Zo veel mensen verlangen naar een hond, maar ze gaan werken, en willen het dier niet de hele dag alleen laten.  Of ze wonen op een appartement, of in een stad zonder grasveldjes in de buurt, en dus wachten ze en dromen.

Maar wij hadden meer geluk: onze honden kwamen mee met ons naar het kantoor.  John en ik hadden een eigen marketing zaak.  Onze honden waren onze receptionisten en onze papierversnipperaars, en bekende vedetten in de stad waar we tijdens de lunchpauze wandelden en speelden.  Op zekere dag wandelde een ouder man ons voorbij in het park. Hij riep: “Dat zijn de gelukkigste honden in Northhampton” en ik dankte God, want misschien had hij wel gelijk.

Elke dag opnieuw zag je hetzelfde scenario in mijn kantoor: Chappie lag bij het raam, Sophie naast mijn bureau, Prudence naast mij en Oliver, die lag op mijn voeten, ofwel in het midden van de deuropening.  Zoiets deed hij, zo was hij nu eenmaal.  En er was altijd een glimlach en een warm welkom voor elke bezoeker, er was altijd gelach en er was altijd liefde in de kamer.

Op zekere morgen maakte John me zoals altijd wakker met een kop thee.  Maar er ontbrak iets.  Oliver lag niet naast me op het bed.  “Waar is Ollie?” vroeg ik met slaapogen.  In de vier jaar dat ik hem gekend had had hij me nooit de dag laten begroeten zonder zijn warme gloed in mijn hart.  

“Catherine,” zei John met een bedrukt gezicht, “er scheelt iets met Oliver.  Hij geraakt niet recht.  Zijn achterpoten zijn verlamd.”  Ik stond dus op en ging de trap af naar waar Oliver lag.

Weet je, er was ooit een programma op TV met de naam “De Dag Die Mijn Leven Veranderde”, en dit was de dag die mijn leven veranderde.  Die dag ontvouwde zich als een nachtmerrie waaruit ik nog altijd niet wakker geworden ben.  Ook John zal nooit meer de oude zijn.  

Dus daar lag Oliver op de vloer in de zithoek.  En Prudence, Chappie en Sophie zaten in een brede kring om hem heen.   Ze wilden zelfs de kamer niet in.  Nu weet ik dat honden de dood kunnen ruiken, en ze blijven bij de stervende weg.  Maar toen wist ik dat niet.  Want als ik het geweten had, had ik die dag wel wat anders gedaan dan wat ik deed.

Ik ging zitten naast Oliver en praatte met hem, en ik gebruikte al de sussende geluidjes die ik maar kon produceren.  En ik aaide zijn kop en zijn nek, en zijn buik want daar hield ie van, en ik kuste hem en zei dat hij zich geen zorgen moest maken, dat we hem naar de veearts zouden brengen en dat die hem weer beter zou maken.  Ik wachtte tot John gewassen en gekleed was en toen kwam hij bij Oliver zitten tewijl ik me boven ging wassen en kleden.  Toen maakten we een draagberrie van enkele dekens en droegen Oliver naar de auto.

We moeten beseft hebben dat het menens was, diep vanbinnen, want ik klom in de koffer van onze stationwagon bij Ollie, en liet zijn hoofd in mijn schoot rusten, en ik praatte tegen hem terwijl de auto over de weg slingerde en hobbelde.  Op een gegeven ogenblik haalde Oliver het in zijn hoofd dat hij wou rechtzitten en door het raam kijken, maar dat haalde hij niet, dus kalmeerde ik hem en aaide zijn nek en zei: “Het is al goed, Oliver.  Maak je geen zorgen.  Het komt wel goed.  Mammie zal voor je zorgen.”

En zijn ogen verzonken in de mijne.  Dat was het moment dat mijn leven veranderde.  Zijn ogen verzonken in de mijne en hij besloot me te geloven, me te vertrouwen, me op mijn woord te geloven.  In die blik lag alle liefde van het universum besloten.  De meest wetende wetenschap van al wat ooit geweten was.

Zo kwamen we bij de veearts aan, en we droegen Oliver uit de wagen.  De veearts stond ons op te wachten en leidde ons onmiddellijk in zijn onderzoekskamer binnen.  We legden onze lieverd Oliver op de tafel.  Weet je, Oliver sidderde en beefde altijd als we bij de veearts waren, hij was buiten zichzelf van angst.  Maar vandaag was hij kalm.  Sereen.  Er wasemde  een sfeer van rust van hem uit, en hij lag daar op die tafel, en wachtte geduldig terwijl de veearts keer op keer probeerde een ader te vinden om wat bloed af te nemen, en het deerde hem niet in het minst.

Nu denk ik, ik weet het niet zeker maar ik denk dat Oliver van het begin af wist dat hij zou sterven in die onderzoekskamer van de veearts.

Oliver ligt daar dus op die tafel in de kamer van de veearts, en John en ik maken ons zorgen omdat het niet onze gewonen veearts is, het is een plaatsvervanger, een jonge wijsneus, en we hopen maar dat hij weet wat hij aan het doen is.  Maar hij glimlacht, en zegt dat we ons geen zorgen moeten maken, dat hij denkt dat Oliver een virale ruggenmergontsteking heeft en bij hem moet blijven zodat hij hem een infuus kan aanleggen, met cortisone, en dat Oliver over een paar weken wel beter zal zijn.

Die jonge veearts draagt een witte schort, en wij weten al helemaal niet wat te doen, dus laten we Oliver in de veterinaire kliniek achter.  En terwijl ze hem naar de hokken dragen achter de praktijk kijkt Oliver naar me, wringt zijn romp naar mij en zegt me met zijn ogen: “Alsjeblief, mammie, laat me niet alleen.  Laat me naar huis komen met jou.”  En ik zeg: “Het is al goed, Oliver, het komt wel goed met jou.  We zien je straks wel.”  Dan verlaten John en ik de praktijk en ik barst tegen de muur in tranen uit.  Want mijn hoofd zegt me dat het met Oliver allemaal goed komt, maar mijn hart weet dat dat niet zo is.

En, verdomd nog aan toe, ik luisterde naar mijn hoofd.  Ik luisterde naar de veearts.  Ik luisterde niet naar Oliver.

John en ik gingen dus weg en probeerden ons te concentreren op ons werk.  Maar ik bleef maar bellen naar de praktijk.  Wie kan het wat schelen als ze denken dat ik een neurotische hondeneigenaar ben?  Dat ben ik so wie so.  Ik bleef dus maar bellen en aandringen dat een oudere veterinair alsjeblief een kijkje wou nemen naar Oliver want, zie je, hij is ons heel lief.  Hij is een heel speciaal iemand. En we willen zeker zijn dat een ervaren iemand Oliver heeft onderzocht.  De receptioniste bleef maar herhalen dat de oudere veearts nog niet daar was.  En als ze aangekomen was had ze het te druk gehad.  En ik blijf maar bellen naar de praktijk.  En John loopt even langs maar wordt naar huis gestuurd.  En dan bel ik terug, en de vervanger komt aan de telefoon en blijft maar hmm-en en ja-en, en ik maar wachten tot hij zegt dat het goed gaat met Oliver.

“Ben je er nog ?” vraagt hij.  Ik maak een geluid zodat hij weet dat ik er nog ben, en hoop en bid dat hij me gaat vertellen dat Oliver OK is.  En dan zegt hij me dat Oliver dood is.

Ik wil die kerel verrot slaan, en tegelijk wil ik hem omarmen want hij is een jonge veearts en hij heeft alle zelfvertouwen nodig als hij levens wil redden, dus zit ik daar maar wat te wenen aan het andere eind van de telefoon.  John staat naast me, dus geef ik hem de hoorn door.  En John zegt: nee, we willen geen autopsie, we willen onze Olliver niet in stukjes laten snijden, alsof hij een stuk beafsteak was.  Dan stappen we in de auto en brengen Oliver naar huis, waar hij de hele tijd had moeten zijn. Dan spelen we de rol van de mensen in de veeartsenpraktijk, zij die wenen terwijl de anderen ongemakkelijk zitten toe te kijken hoe Oliver op een draagbaar gelegd wordt en wij hem door de achterdeur naar buiten dragen en naar huis rijden.

Daar staan we dan in onze tuin, zoekend naar een plaatsje om Olivers lichaam te laten rusten.  We leefden in een modern huis, en de aannemer had ons grastapijt gezaaid over een hoop bouwafval.  John raakte er niet doorheen om een graf voor Oliver te graven.  Zo staat hij daar met de spade in zijn handen, terwijl de tranen over zijn gezicht stromen en hij er niet in slaagt een verdomd gat te graven doorheen de keien en bakstenen en plastic zakken, en ik sta daar naast hem met tranen die over mijn wangen rollen, terwijl de zon begint onder te gaan en Olivers lijk in de auto ligt te wachten en onze tijd op raakt.  Dus vraagt John me en buur te zoeken die ons een houweel kan lenen.

Ik wandel de straat door, met betraand gezicht, snikkend, en ik dool maar rond, vraag me af aan wiens deur ik kan aankloppen met zo’n betraand gezicht, en ik vraag me af hoe ik de woorden kan uitspreken die mijn buurman er van moeten overtuigen dat ik een houweel nodig heb.

Ian en Sue, van het chalet naast ons, zijn aan het afwassen, ze zien mijn tranen en komen naar buiten gelopen.  Eigenlijk moesten buren je niet zien in zo’n staat. Ze zouden je kalm moeten zien en zelfverzekerd, met alles op een rijtje in je leven, maar Ian en Sue zagen me lopen te snikken op straat, en ze kwamen naar buiten gehold.  Ze zegden: “Oh nee, toch Ollie niet !” want ze wisten dat Oliver een heel bijzondere hond was.  En mijn hart en mijn hoofd bleven zeggen: “Oh nee, toch Ollie niet !” 

Ian zei dat ik naar huis moest gaan.  Hij zei dat hij wel iemand zou vinden met een houweel.  En Ian bracht het houweel naar John, en John groef een gat, en we begroeven Ollie bij valavond.

Het is raar hoe Chappie, Sophie en Prudence reageerden.  Sophie zat aan de andere kant van de tuin, met een glimlach en een lach en een vrolijk gezicht.  Ze probeerde ons op te monteren.  Prudence liep zich zorgen te maken.  En Chappie kwam naar het graf waar we Oliver in gelegd hadden en nam afscheid.  Voor de eerste keer in zijn leven huilde Chappie naar de maan.  Maanden nadien nog ging Chappie buiten in de tuin op het graf van Oliver zitten.  

Temidden van die drukte belde mijn stiefmoeder me op.  Ik weende aan de telefoon en en vertelde het haar van Oliver, en zei haar dat ik toen niet kon praten.  Toen belde mijn zus Leslie, want Leslie houdt van honden, en ze begreep me, en een vriend stuurde ons bloemen.  Al de anderen vonden dat Oliver gewoon maar een hond was.  Dat leek me een vreemde gedachte.  Ik dacht dat mijn hart ging ontploffen, mijn maag deed pijn, mijn hoofd deed pijn, en binnenin voelde mijn lichaam als een stoomketel.  Als je het deksel er af had genomen had, was ik beginnen te schreeuwen zonder ophouden, maar als ik mensen vertelde dat Oliver gestorven was zegden ze “Oh”, en begonnen over iets anders te praten.  Alsof Oliver gewoon maar een hond was.

Maar nooit zal ik Ian en Sue vergeten die hun huis kwamen uit gelopen toen ze me zagen terwijl de tranen over mijn wangen stroomden.  Want ik weet dat de meeste mensen gewoon de gordijnen hadden dicht getrokken en bij zoiets niet betrokken wilden worden.

En Oliver was pas vier jaar oud.

Twee jaar later, toen Prudence pas zes geworden was, vertelde men ons dat ze leucemie had.  Dat ze hooguit nog twee maanden te leven had.  Dit keer was het verlies niet zo plots - we hadden tijd om afscheid te nemen.  We hadden tijd om haar te vertellen hoeveel we van haar hielden.  Tijd om haar te bedanken voor de vriendschap die ze ons gegeven had.  We hadden tijd - dertig dagen - om het leven uit haar te zien wegtrekken, zoals een band plat gaat met een klein gaatje erin.  We hadden tijd om te hopen en te bidden, en zagen haar gaan.

We hadden tijd om te luisteren naar Prudence.  In die laatste dagen vertelde Prudence me een hele boel.  Ze begon met veel wilskracht haar uitgeteerd lichaam naar ieder huis in de buurt te slepen waar kinderen woonden waar ze van hield. Pru’s hart was zo groot als het universum, en ze wou iedereen vertellen hoeveel ze van hen hield.  Voor ze ons verliet.  Ze leidde me naar iedereen die we op straat tegenkwamen, en ging tevreden liggen zodra we begonnen te praten.

Een paar dagen voor ze stierf wankelde Prudence naar het buurthuis.  Ze keek door de vensters en vertelde me dat ze naar binnen wou.  Maar honden waren daar niet toegelaten, dus wandelde ik haar terug naar huis.  De volgende kans ging ze resoluut teug naar het buurthuis, en keek naar binnen.  We gingen dus naar binnen.  Ze ging liggen naast mij en Sheila, en wachtte tot ik de boodschap begreep.

Prudence vroeg me één ding te doen voor ze stierf: ze vroeg me jullie, die van het leven houden, te vertellen waarom honden sterven, waarom onze kinderen sterven, waarom over de hele wereld dieren en mensen dood gaan.  En wenen.  Zodat we kunnen leren te zorgen voor mekaar, zoals zij voor ons zorgde.  Prudence had me gevraagd haar stem te zijn, en de stem van alle dieren en alle kinderen, van alle mensen wiens hart breekt en wiens lichaam pijn doet.

Prudence zei me dat zij stierf, en dat Oliver gestorven was, om de wereld te bewijzen dat de mens deze planeet en het leven er op aan het vernietigen is.  Ik weet dat u zal denken dat dit krankzinnig is, maar ik moet het u vertellen.

Weet je, mensen zeggen dat dieren geen bewustzijn hebben.  Ze zeggen dat hun geest en gevoel beperkt zijn tot lichamelijke behoeften.  Ze denken dat mensen de enigen zijn die in staat zijn tot complexe gevoelens, en dat als we iets anders denken, we dan dan menselijke eigenschappen aan het projecteren zijn.  Maar als olifanten treuren, dan zien we hun tranen.  En toen Prudence stierf, zag ik haar tederheid naar mij toe en haar bezorgdheid voor mij.  

De ziekte van Prudence was wreed.  We probeerden haar te redden, en soms had ze een opstoot en dachten we dat ze aan de beterhand was, en dan gleed ze weer bergaf, om de volgende dag weer op te flakkeren.  De nacht voor Prudence stierf, vroeg ze om naar boven te komen met mij en op bed te liggen.  Al die tijd had ik beneden op de vloer geslapen naast haar.  Maar die avond wou z naar boven, dus droeg John haar naar boven op het bed.  

Ik lag daar tegen haar te praten terwijl ze moeizaam ademde, en ik voelde hoe haar poten ijskoud aanvoelden, en ik wist dat Prudence aan het sterven was.  Dus praatte ik met haar en zei: “Je bent altijd zo’n lieve meid geweest, Prudence, en ik zie je heel graag.  Je hebt Chappie en Sammie beschermd, en je hebt met Sophie gespeeld, en je hebt voor mij en John gezorgd.  Je bent zo’n flinke meid.  Ik wil je niet verliezen, maar als het teveel voor je wordt, dan begrijp ik dat.”

Prudence keek naar me, en pruduceerde haar sissend, bruisend geluidje, als een limonadeflesje waar je het dekseltje afhaalt.  Dat was het geluid dat ze altijd maakte als ze liefde en dankbaarheid wou tonen.  Ze keek in mijn ogen; haar bruiine ogen waren een millioen mijlen groot.  Ze bedankte me omdat ik haar liet gaan, en zei dat ze ook van me hield.  De volgende morgen, voor de veearts aankwam, droeg John Prudence de tuin in en vertelde haar hetzelfde.  Het kostte ons twee jaar om mekaar toe te geven dat we, ieder apart, Prudence toelating gegeven hadden om ons te verlaten.

Drie jaar na de dood van Prudence las ik volgende passage in Sogyal Rinpoche’s ‘Tibetaans boek over leven en sterven’:  

“Als je aan een stervende persoon gehecht bent en je er aan vastklampt, kan je hem of haar een hoop onnodige hartzeer bezorgen, en het die persoon heel moeilijk maken om los te laten en in vrede te sterven...  Opdat zo iemand zou kunnen loslaten en in vrede sterven moet hij of zij van geliefden twee expliciete uitgesproken geruststellingen krijgen.  Ten eerste moeten ze die mens toelating geven om te sterven, en ten tweede moeten ze hem of haar geruststellen dat ze het goed zullen maken na zijn/haar dood, en duidelijk maken dat er geen reden tot bezorgdheid is.

Wanneer mensen me vragen hoe je het best iemand kan toelaten om te sterven, zeg ik hen dat ze zich moeten inbeelden dat ze bij het bed staan van de persoon waar ze van houden, en hen zeggen met de diepste en eerlijkste tederheid: ‘Ik ben hier bij jou en ik hou van je.  Je bent aan het sterven, en dat is heel natuurlijk; het overkomt iedereen.  Ik wou dat je hier bij mij kon blijven, maar ik wil niet dat je nog langer lijdt.  We hebben genoeg tijd gehad samen, en ik zal er altijd met vreugde aan terugdenken.  Klamp je nu alsjeblief niet meer vast aan dit leven, laat maar los.  Ik geef je mijn volledige en gemeende toestemming om te sterven.  Je bent niet alleen, nu niet, nooit.  Mijn liefde is bij je.’ “

Weet je, die nacht met Prudence, toen ik op bed lag en haar zag sterven, dat was misschien het tederste moment van mijn leven.  Ik was niet de laatste uren van een minderwaardig leven aan het delen.  Ik deelde de laatste uren van een nobel leven, het leven van een hond wiens grootste motivatie het was te zorgen voor anderen.  En het enige wat Prudence wou, tot haar laatste snik, was me te behagen, en ze had mijn permissie nodig om te sterven.  Een paar dagen later nam ik een boek op en opende het willekeurig.  De volgende woorden gaapten me aan vanop die bladzijde: “ Het spijt me dat ik je moest verlaten, maar de pijn was te groot om te dragen”.  Ik weet het niet, maar iets in me zegt me dat dit een boodschap was van Prudence.  We zouden moeten luisteren naar onze dieren; ze hebben echt een bewustzijn.

Toen Oliver en Prudence in mijn hart kwamen leven staken ze ieder een kaarsje aan.  Iedereen steekt een kaars aan.  Het is de kaars van liefde en licht.  Wij samen, honden en katten en vee en schapen, en zelfs de mensen, samen kunnen we het licht in de duisternis laten schijnen.  Want we hebben een krankejorum wereld geschapen, en nu moeten we die gezond maken.  Het is tijd.  De honden zijn gekomen om ons er aan te herinneren.

Vertaald uit: Who Killed the Darling Buds of May? van Catherine O’Driscoll. ISBN 0-9523048- 1-3.  Abbeywood Publishing Ltd, 1997.  314 pp.

 

VACCINEREN BIJ DIEREN

Vaccins zijn helemaal geen privilege van mensen; dieren worden even goed ingeënt, en ook zij zijn gevoelig voor de nevenwerkingen ervan.  Erg aannemelijk is dit voor de andere zoogdieren (honden, katten, paarden, koeien...) gezien onze biologische verwantschap.  Maar zelfs vissen worden ingeënt...

Het boek van Catherine O’Driscoll is voor de dierenvaccins wat het boek ‘DPT, A Shot in the Dark’ van Couter en Fisher voor de menselijke vaccins was.  Het gooit de ruiten in van al wie “onschuldig” pleit voor de rol van vaccins in de pathologie van onze huisdieren.  In haar boek noemt ze verschillende categorieën op van aandoeningen die wel vaker optreden na vaccinatie van huisdieren, met bijhorende voorbeelden.  

1. Anaphylactische shock en overgevoeligheidsreacties

Een hond had jeuk aan zijn snuit, enkele uren na vaccinatie.  Het gezicht was opgezwollen en het dier was heet.  De veearts ontkende elk verband, tot zich een jaar later identiek hetzelfde scenario afspeelde.

Anaphylactische shock en overgevoeligheidsreacties zijn wel bekend na vaccinatie, en in ernstige gevallen is een snelle toediening van adrenaline noodzakelijk en levensreddend.

2. Epilepsie

Na een eerste vaccinatie zat een 10 weken oude puppy rechtop op het bed van de eigenares en kwijlde.  Na het volgend vaccin deed ze dit opnieuw, werd af en toe stijf, begon in rondjes te lopen, kwijlde nog meer, begon in het rond te bijten...  Alle medicatie hielp niet, en de eigenaars zagen zich gedwongen de hond te laten inslapen.

Epilepsie na vaccinatie werd zeer vaak aangetoond in de medische literatuur.  Het DTP-vaccin alleen is verantwoordelijk voor een verviervoudiging van het aantal epileptische problemen, en ook het BMR-vaccin kan het risico vervijfvoudigen.

3. Vaccin-geïnduceerde ziekte

Daniel, een jonge Afghaan, werd ziek en stierf na zijn vaccinatie.  Bloedstalen toonden een overdreven reactie aan op het vaccin, meer dan het dubbele van de antistoffen die men normaal zou verwachten, terwijl de hond toch stierf aan het parvovirus waarmee hij gevaccineerd was.  80 % van de honden die besmet worden met het parvovirus overleven de infectie.  Een expert die het geval bestudeerde liet weten dat hij wel honden had kunnen genezen na een natuurljke parvovirus infectie, maar nooit na een infectie veroorzaakt door het vaccin.

Verschillende artikels in de medische literatuur beschrijven hoe vaccins de ziekte waartegen ze gericht waren uitlokten bij gevaccineerde dieren.  Voorbeelden zijn een vaccin tegen luchtweginfecties bij katten, postvaccinale encephalitis na ‘distemper’, een virale ziekte bij honden, en last but not least: hondsdolheid !

4. Auto-immuunziekten

Voorbeelden aangehaald in het boek gaan over immuundeficiëntie (overgevoeligheid voor infecties), polyartritis (gewrichtsontsteking), en haemolytische anaemie.

Het Veterinair Handboek van Merck, producent van vaccins, vermeldt het parvovirus als uitlokkers van immunologische tekorten.  Het vaccin bevat een levend virus.  Meestel treedt er een onderdrukking van het beenmerg op.  

Het Rabdomun rabies vaccin vermeldt in zijn bijsluiter expliciet dat rabiesvaccin geproduceerd op (hersen)weefsel lichaamsvreemde eiwitten bevat die kunnen leiden tot auto-immuun ziekten.

Het hoofd van een vooraanstaand laboratorium had verschillende gevallen geconstateerd van auto-immune haemolytische anaemie, die tot zijn verbazing praktisch altijd opgetreden was één dag na vaccinatie.

De Journal of Veterinary Internal Medicine publiceert in 1996 voor het eerst een artikel waarin duidelijk aangetoond wordt dat haemolytische anaemie toeneemt bij gevaccineerde honden, in de maand na vaccinatie.  Deze stijging was niet aanwezig bij een niet-gevaccineerde controlegroep.

5. Gedragsveranderingen

Berry werd gevaccineerd op 13 weken.  ‘s Anderendaags vertoonde ze een dikke zwelling op die plaats, had koorts, at minder, en kreeg antibiotica van de veearts.  Voor 4 dagen lag ze voor dood, en begon toen te herstellen.  Na een tweede spuit had ze opnieuw een bult, maar genas spontaan.  Toen werd ze humeurig.  Hormonaal leek een en ander niet normaal.  Ze werd reeds loops op 6 maanden; de bloeding was korter dan verwacht en werd gevolgd door een schijnzwangerschap.  Dit herhaalde zich: de bloedingen kwamen telkens te vroeg, ware kort en werden gevolgd door een schijnzwangerschap.  Echt zwanger worden lukte niet.  Toen kreeg ze ook vreemde kuren: soms kroop ze alsof ze een ongeval gehad had, liep als iemand die dronken is, viel geregeld in zwijm.  Ze werd mentaal precies nooit volwassen.  Ze was hardleers, haar trainen lukte minder goed dan men bij haar ras zou mogen verwachten.  Haar concentratie was ondermaats, en ze kon obsessief met een bepaald voorwerp bezig zijn.  

Een andere hond werd onvoorspelbaar na de inenting, begon te bijten als ze geaaid werd, zelfs al kwam ze daar zelf om vragen.  De veearts moest ze laten inslapen.

6. Dood

Rula was een negenjarige Airdale die “zo gezond was als een vis”.  Enkele minuten na zijn inenting werd hij bewusteloos, met blauwe slijmvliezen.  Blijkbaar een acute overgevoeligheidsreactie. ‘s Anderendaags was hij dood.

Overgevoeligheidsreacties zijn een bekend fenomeen na vaccinatie.  Adrenaline is in de meest acute gevallen de enige kans op overleving.  Anaphylactische shock is een plotse bloeddrukval, gevolg van het uitzetten van de aders ten gevolge van de vrijzetting van histamine in het bloed door overgevoelige mastcellen (bloedcellen).  De bloeddruk wordt dan zo laag dat de organen, inclusief de hersenen, niet meer voldoende bevloeid worden.  De patiënt wordt bewusteloos, de nieren vallen stil, het hart zelf wordt niet meer voldoende van zuurstof voorzien.  Dood is het gevolg, tenzij iets op zeer korte tijd de bloeddruk kan herstellen.  Daartoe wordt dus adrenaline ingespoten.

7. Hartfalen

Twee honden in eenzelfde gezin ontwikkelden een hartgeruis na vaccinatie, in die mate dat ze een aantal maanden later moesten afgemaakt worden.

8. Onvoldoende verzwakte vaccins

Levend virus vaccins moeten virussen bevatten die zich net nog kunnen vermenigvuldigen, maar voldoende verzwakt zijn om geen ziekte meer te veroorzaken.  Ook bacteriële vaccins en vaccins op basis van toxines moeten voldoende reactie kunnen uitlokken om werkzaam te zijn, maar niet te veel om het systeem niet te overspoelen.  Zowel bij dieren als bij mensen zijn genoeg voorbeelden gekend van productiefouten, waarbij vaccins te sterk geconcentreerd waren en als “hot lot” toch op de markt geraakten.  In sommige gevallen zelfs met medeweten van producent en overheid !  Telkens eindigde dit in ziekte en dood, meestal door hersenontsteking van de gevaccineerden.  Sommige firma’s zagen als gevolg hiervan hun licentie ingetrokken worden.

9. Epilepsie, diarree, gedragsproblemen, pancreas problemen en dood

Een teef had een uitgesproken zwelling na vaccinatie, dan diarree gedurende verschillende dagen na de eerste inenting.  Later kreeg ze ernstige huidproblemen, hormonale problemen, urinewegproblemen.

 

CONTRA-INDICATIES

C-VET, een producent van veterinaire producten, schrijft in zijn compendium: “Enkel gezonde honden mogen gevaccineerd worden”.  

Redenen om niet te vaccineren zijn:

  • immuun-suppressieve medicatie
  • verhoogde kans op infectie binnen de 7 dagen na vaccinatie
  • zwangerschap

SPECIFIEKE VACCINS

Hieronder een lijst van ziekten waartegen specifiek gevaccineerd wordt bij diverse dieren.

A. Bij de hond: 

  •   Borrelia
  •   DHLPP
  •   Bordetella bronchiseptica
  •   Coronavirus
  •   Parovirus

Het parovirus vertoont grote gelijkenissen met het virus van de katten-enteritis.  Er bestaan zelfs vermoedens dat het ontstaan is uit het afgezwakt levend vaccin tegen deze kattenziekte.  In elk geval werd de aandoening nooit vastgesteld voor er tegen de kattenziekte gevaccineerd werd.  Wellicht heeft dit kattenvaccin het virus dus in de natuur verspreid en is het door een ander ras opgepikt.

Het virus veroorzaakt schade aan de hartspier, diarree en hepatitis.  Tot 16 weken worden de pups normaal beschermd door de moederlijke antistoffen; vanaf 10 weken zijn er nog weinig de bezwijken aan een infectie.  Vaccinatie maakt de bescherming door de moederlijke antistoffen ongedaan.  Vaccinatie is ook niet altijd effectief: drie van de zes parvovirusvaccins onderzocht door Dr. Ronald Schultz bleken totaal nutteloos.

  •   Hondenziekte (ziekte van Carré, distemper)

Hondenziekte is een ernstige virale infectie, meestal verspreid via de adem van besmette dieren.  Ze veroorzaakt klachten als koorts, overgeven, diarree, bronchopneumonie, zenuwaantasting, verlies van coördinatie, abortus, verlies van eetlust, huidverdikking.  De helft van de besmette dieren sterft, en zij die het overleven houden er vaak tics en onvrijwillige bewegingen aan over.

Pups worden normaal beschermd door antistoffen van de moeder tot 12 weken; vaccinatie kan deze bescherming negatief beïnvloeden.

Er bestaat een gelijkenis met het menselijke mazelenvirus.

Dr. Swango toonde aan dat een vaccin wel degelijk een gedeelte virussen bevatte die nog steeds virulent (ziekmakend) waren.

  •     Leptospirose

Bacteriële infectie die naast honden ook mensen, vee, varkens, schapen, geiten en zelden ook katten kan besmetten.  Bij de hond zijn er twee variaties die koorts, geelzucht, braken, depressie, en nierpijn kunnen veroorzaken.  Besmetting kan gebeuren door contact met besmette urine.  Hervaccinatie gebeurt jaarlijks.  Mogelijke nevenwerkingen zijn anaphylaxie, netelkoorts.

  •   Hepatitis

Komt voor bij honden en vossen, en wordt verspreid via besmette urine.  Pups worden door moederlijke antistoffen beschermd tot 12 weken.  Het vaccin helpt niet meer wanneer het dier reeds geïnfecteerd is (incubatie), noch wanneer de oorzaak van de hepatitis iets anders is dan het virus, bijvoorbeeld een parasiet, een schimmel, een bacterie, medicatie, scheikundige stoffen of dieetproblemen.

  •   Rabies

In landen waar hondsdolheid heerst is vaccinatie meestal verplicht.  In België bepaalt het ministerieel besluit van 28.02.03 dat honden en katten die als gezelschapsdier hun baas vergezellen (maximum 5 dieren) en ons land worden in- of uitgevoerd gevaccineerd moeten zijn tegen hondsdolheid.

Alleen gezonde dieren mogen gevaccineerd worden.  In Engeland en Australië, waar hondsdolheid niet voorkomen, is het zelfs verboden te vaccineren, omdat men goed weet dat gevaccineerde dieren hun omgeving besmetten en het virus in de omgeving verspreiden.  Dit werd aangetoond bij gevogelte, waar gevaccineerde dieren hun niet-gevaccineerde omgeving besmetten.

De incubatietijd is lang, en honden die ingevoerd worden naar vb. Engeland moeten 6 maanden in quarantaine blijven voor ze het grondgebied mogen betreden.  Het vaccin zelf kan hondsdolheid uitlokken.  Niet te verwonderen gezien het om een levend afgezwakt vaccin gaat.  In sommige gevallen stierf een (menselijke) patiënt, gevaccineerd na een beet, aan hondsdolheid door vaccinatie, niet ondanks vaccinatie, want er werd later aangetoond dat het dier dat hem gebeten had helemaal geen hondsdolheid had...  Volgens Hans Ruesch zou minder dan 1% van de personen gebeten door een hond met hondsdolheid ook zelf geïnfecteerd worden met de ziekte.

De WGO zelf vermeldt in haar rapport over rabies dat de meest efficiënte methode ter preventie van de ziekte niets anders is dan een goede wondverzorging.

  •   Para-influenza

Het virus veroorzaakt een droge kuchhoest.  Het verspreidt zich snel onder honden die in nauw contact met mekaar leven, zoals in een kennel.  

B. Bij vee

  • Mond- en klauwzeer

Toen in 2001 er problemen waren met mond- en klauwzeer was het niet te verwonderen dat er meteen een roep kwam om vaccinatie.  Men bleef immers geloven in de “golden bullet” idee van vaccinatie: een maatregel die alles zou oplossen.  Met name de Boerenbond heeft toen (14.3.01) dringend opgeroepen tot inenting, dit tegen de expliciete richtlijnen van de Europese Unie in.  Maar is vaccinatie werkelijk dé oplossing? 

In zijn boek “Impfen: Das Geschäft mit der Angst” schreef de Duitse vaccinatie-expert dr. G. Buchwald reeds in 1994 over dit vaccin (pp. 125-131).  En wat blijkt? 

Buchwald beschrijft 30 episodes van Mond- en Klauwzeer in de BRD tussen 1970 en 1994. Van de 30 opflakkeringen hadden er 22 rechtstreeks verband met het vaccin tegen de ziekte .  22 epidemies waren uitgelokt door het vaccin zelf; 5 waren er veroorzaakt door pollutie met het virus in de onmiddellijke omgeving van een vaccinfabriek. 

Uit een vergelijking tussen landen mét en landen zonder vaccinatieplicht (zie tabel) blijkt dat er veel meer epidemies geweest zijn in landen mét vaccinatieplicht. 

Bovendien bleek in die gevallen waar de oorsprong van de infectie achterhaald kon worden de ziekte ingevoerd te zijn uit gevaccineerde gebieden. 

Toen in Duitsland de Bundestag een beslissing moest nemen over het beleid in verband met de ziekte kroop een wetenschappelijk ex-medewerker van het Wetenschappelijk Onderzoeksinstituut met 30 jaar dienst in zijn pen.  Hij stuurde een brief naar de voorzitter en de leden van de commissie.  In die brief noemde hij 7 punten waaruit bleek dat het MKZ-vaccin niet alleen onwerkzaam maar zelfs gevaarlijk was.  Zijn argumentatie luidde als volgt: 

1. Het vaccin heeft zich de voorbije 20 jaar niet kunnen waarmaken.  Sinds 1970 braken er een honderdtal infecties uit (primair en secundair).  Telkens het virus vrij kwam (zoals in 1987-88 uit het vaccin fabriek van Wellcome bij Hannover) werden gevoelige dieren besmet en werden ze ziek. 

2. De vaccinaties waren schadelijk.  Van de 30 primaire infecties sinds 1970 is bij 22 bewezen dat ze het rechtstreeks gevolg waren van de productie en het gebruik van het vaccin.  In nog 3 gevallen is dit vermoedelijk ook het geval maar het bewijs is niet meer te leveren. 

3. Het vaccin beschermt niet tegen import van het virus van buitenaf.  Dit kan gebeuren via dieren die klassiek niet gevaccineerd worden tegen MKZ, zoals varkens, en die besmet worden via het voedsel.  De virustypes die in het verleden bij zulke infecties aangetroffen werden kwamen niet overeen met het virus in het vaccin, zodat vaccinatie so wie so onnuttig zou geweest zijn. 

4. De laatste grote epidemieën traden op in Duitsland en Italië, twee landen waar stelselmatig gevaccineerd werd.  Het vaccineren in deze landen leidde dus niet tot het inperken van de epidemies, maar integendeel tot het veroorzaken van infectiehaarden die van daaruit naar niet-vaccinerende buurlanden konden geëxporteerd worden. 

5. Transport doorheen een land (in dit geval Duitsland) heeft na 1970 nooit aanleiding gegeven tot verspreiding van de ziekte.  Dit gebeurde wel in Italië omwille van lekkende vaccinfabrieken en besmettelijke vaccins. 

6.  Niet de vaccinatieplicht die in Duitsland in 1967 ingevoerd werd heeft geleid tot de afname van epidemies sedert 1969, maar het verbod uit 1966 op de verkoop van geïnfecteerde dieren, en, samen daarmee, de omschakeling van de vaccinproductie op weefsel- of orgaanculturen. 

7. De epidemies die optraden in de niet-vaccinerende landen Denemarken en enkele eilanden voor de Engelse kust waren het gevolg van besmetting vanuit naburige vaccinerende landen.  Zonder vaccinatie in deze laatste landen waren de epidemies in de eerste niet opgetreden. 

In 1988 adviseerde een wetenschappelijk comité de EG dan ook het vaccineren tegen  MKZ niet alleen te verlaten maar zelfs te verbieden .  Een van de weinigen die voor verdere vaccinatie pleitte was Prof. Dr. Wittmann, van wie al snel bleek dat hij rechtstreekse financiële belangen had bij de firma Bayer, de producent van het vaccin...  De Bundestag besliste dan ook dat vanaf uiterlijk 1992 het vaccin op haar gebied verboden was.  Reeds een jaar tevoren, in juli 1991, kwam het vaccin niet meer voor in de lijsten van de diervaccinatieprogramma’s.  Zelfs de invoer van gevaccineerde dieren en producten van gevaccineerde dieren werden verboden. 

Wellicht mogen we hier de parallel trekken met vaccinatie tegen de varkenspest (zie verder).  

Bovendien moeten we beducht zijn voor zogenaamde “incubatie-vaccinaties”.  Eveneens uit de werken van dr. Buchwald blijkt dat vaccinatie tijdens de incubatieperiode * vaak tot de zwaarste nevenwerkingen leidt en de gevaccineerde mensen of dieren eerder gevoelig maakt voor de infectie dan ze er tegen beschermt. 

Uit dit alles blijkt dat vaccinatie als “gouden kogel”, als onfeilbare en ultieme beschermingsmaatregel, moet verwezen worden naar het domein van de sprookjes.  Zolang de historische ervaringen met het vaccin niet weerlegd zijn moet een overhaaste vaccinatiecampagne gezien worden als een paniekreactie die hier allerminst op haar plaats is. 

* Incubatieperiode = de periode na besmetting maar voor het optreden van de symptomen van de ziekte. 

 

  •  Varkenspest

Ook hier werd reeds vele jaren geleden (in Duitsland in 1993) van vaccinatie afgezien toen bleek dat vaccineren vaker tot opflakkeringen leidde dan niet-vaccineren. 

VOORZORGSMAATREGELEN

Enkele voorzorgsmaatregelen kunnen helpen problemen na vaccinatie van dieren te voorkomen.

Er kan beter nooit gevaccineerd worden als het dier onder stress staat.  Mogelijke stressfactoren zijn:

  • ziekte of koorts.  Het is dus veiliger steeds de temperatuur van het dier te meten voor de vaccinatie
  • oververhitting.  Een erg warme zomerdag is dus geen geschikt moment om in te enten.
  • emotionele stress: een verhuis, verlies van een huisgenoot, ...
  • een wonde

ALTERNATIEVEN

De alternatieven voor dieren zijn nauwelijks anders dan voor mensen.  

Aandacht voor een gezonde voeding is cruciaal.  Veel veevoeders zijn commerciële, minderwaardige producten, en de gezondheid van een dier dat hier continu mee gevoed wordt is navenant.  Resten van de eigen (gezonde) keuken zijn te verkiezen boven blik en zak.

Voldoende ruimte en beweging is voor dieren eveneens onmisbaar.  Opgesloten worden ze neurotisch en gestresseerd, wat tot ziekte leidt.

Huisdieren hebben affectie van hun omgeving evenzeer nodig als hun menselijke tegenvoeters.

Ook voor dieren bestaan er goede medische alternatieven, zoals homeopathie, mochten ze toch ziek worden.  Meer hierover in het boek van O’Driscoll.