Hyperimmunisatie

Te frequente herhalingen van vaccins kunnen tot bijkomende medische problemen leiden. Dit blijkt uit talrijke documenten uit de medische literatuur. 

Vooral in verband met tetanusvaccinatie zijn het fenomeen van hyperimmunisatie, en de gevolgen van dien, goed gedocumenteerd. Dit sluit natuurlijk niet uit dat soortgelijke fenomenen ook na andere vaccins optreden. 

KINKHOEST

Bishop (1966) beschrijft een geval van verspreide bloedvatontsteking en overlijden na hyperimmunisatie met kinkhoestvaccin.

TETANUS

De politiek van herhalingsinentingen is niet uniform. Bij ons werden herhalingsinentingen tegen tetanus vroeger om de vijf jaar doorgevoerd; nu is dit om de tien jaar, levenslang.  In de UK daarentegen stopt men na vijf dosissen, namelijk drie dosissen als basisvaccinatie, en twee herhalingen.

Te frequente herhalingen leiden tot een overmaat aan antistoffen, die blijkbaar niet meer beschermen dan een normale protectieve antistofspiegel, wel integendeel.  Extreme antistofspiegels worden vaker gelinkt aan meer bijwerkingen. 

Een Australisch tijdschrift beschrijft veralgemeende tetanus bij een man wiens antistofspiegel meer dan 100 maal zo hoog lag als wat aangenomen wordt als beschermende spiegel.

Peebles (1969) maant expliciet aan tot voorzichtigheid wanneer hij schrijft: “Als er betrouwbare gegevens zijn over voorafgaande basisimmunisatie zouden speciale tetanusherhalingen bij de toegang tot kampen, scholen en universiteiten, evenals de spoedvaccinatie in geval van verwonding moeten achterwege gelaten worden om de reacties op het tetanus toxine tot een minimum te beperken.”

Zastrow (1993) meldt ernstige lokale en algemene reacties na te veelvuldige herhaling van het tetanus vaccin.

Werner & Grimm (1988) schrijven dat bij 6- of 7-jarigen de antistofspiegel nog hoog genoeg kan zijn om aanleiding te geven tot verhoogde reacties op het vaccin.

Holliday & Bauer (1983) geven toe dat nevenwerkingen het meest waarschijnlijk zijn bij personen die herhaaldelijk boosters gehad hebben.

Ook Baraff (1984) en Relihan (1969) geven te kennen dat nevenwerkingen een verband houden met het aantal voorafgaande vaccinaties en met het niveau van voorafgaande antistofvorming. 

Het tijdschrift JAMA (1995) legt het verband tussen hevige locale reacties met ernstige zwelling, en het niveau van antistoffen op het moment van vaccinatie.  Ook koortsreacties zijn in dat geval meer uitgesproken.

Mc Comb & Levine (1961) schrijven dat zenuwaantasting frequenter is na veelvuldige herhaling en bij oudere mensen.  Zij onderlijnen de belangrijke rol van van veelvuldige voorafgaande tetanusvaccinatie (bijvoorbeeld bij militairen) als de beslissende factor voor het frequentere optreden van nevenreacties op het vaccin.  Zij illustreren hun standpunt met 4 nieuwe gevallen.  

Griffith (1966) behandelt het aspect hyperimmunisatie op een conferentie over tetanus.  

En Gardner (1995) schrijft: “Brachiaal plexus neuropathie kwam bijna uitsluitend voor bij volwassenen die vaak tetanus vaccins gehad hadden”.

Hyperimmunisatie leidde tot serumziekte en tot een Arthus (allergische) reactie bij een 49-jarige vrouw, 12 jaar na de oorspronkelijke immunisatie (1994).  Zij moest gehospitaliseerd worden en kreeg hoge doses cortisone om haar in leven te houden.  

In de Folia Pharmacotherapeutica (1996) lezen we: “Arthus reacties komen frequenter voor bij boosterinjecties bij patiënten met hoge serumspiegels aan antitoxine, en men kan het risico op allergische reacties minimaliseren door, voor wat het tetanusanatoxine betreft, een booster slechts om de 10 jaar toe te dienen.”.

Petersen (1987) beschrijft hoe bij een soldaat met Guillain-Barré syndroom na herhalingsinenting tegen tetanus een antistoftiter teruggevonden werd die 650 keer hoger lag dan de gebruikelijke beschermende titer. 

Zelfs de Franse apothekersbond (1980) wijst er op dat zowel locale als algemene reacties het vaakst voorkomen bij personen die reeds vaak gevaccineerd werden.  

Rothstein (1978) wijst op problemen na herhalingsinentingen.  

Reinstein (1982) beschrijft aantasting van de perifere zenuwen na herhaalde boostervaccinaties.

Wegmann (1979) wijst eveneens op de rol van  herhaling van inentingen bij het ontstaan van locale problemen. 

Het tijdschrift “Médecine Practicienne” (1977) legt ook al de vinger op dezelfde wonde.

Hyperimmunisatie komt vaker voor bij oudere personen (1970). 

Levine (1961) stelde vast dat reacties op het vaccin “voorkwamen bij voorheen gevaccineerde personen en dat ze afhankelijk waren van de leeftijd, met een duidelijke toename vanaf 25 jaar” .

Edsall (1967) wijst op het overdreven gebruik van herhalingsdosissen aan tetanusvaccin.  Controle van de antistoffen bij 45 kinderen die zich aanmeldden voor controle of urgentieboosters waren allen 40 tot 2.500 keer hoger dan het beschermend niveau.  Ook bij 22 kinderen met allergische reacties op het tetanusvaccin waren de serumspiegels zonder uitzondering hoger dan nodig.

Bowie (1996) schrijft : “Elke booster dosis verhoogt het risico op overgevoeligheid voor een volgende dosis toxine, en op behoorlijk ernstige reacties, vaak lokaal, zoals pijn, roodheid en zwelling rond de injectieplaats en dit gedurende meerdere dagen, en soms ook veralgemeend, zoals hoofdpijn, malaise, spierpijn en koorts.”

BCG (tuberculosevaccin)

Puliyel (1996) meldt problemen na een accidentele overdosis met BCG-vaccin.  857 kinderen werden per ongeluk met het foute vaccin intradermaal gevaccineerd, gemiddeld 10 dagen na de geboorte, waardoor ze een vijfvoudige dosis te verwerken kregen. 61 van 556 gecontroleerde kinderen vertoonden locale nevenwerkingen, zoals gezwollen lymfeklieren, ulcera en abcesvorming.  Eén kind overleed vier maanden later ten gevolge van een ernstige immuundeficiëntie.

VARIA

White (1974) vond afwijkende laboratoriumwaarden bij enkele recruten na veelvuldige vaccinatie.  Hij wijst ook op afwijkingen bij proefdieren, zoals amyloidose, myeloma en overgevoeligheidsreacties.  In zijn antwoord op Ayvazarian wijst hij er bovendien op dat het risico bij kinderen wellicht nog groter is, hoewel bij deze leeftijdsgroep de invloed van herhalingen onbekend is.

Ayvazarian (1975) weerlegt de geruststellende commentaar van White op dit vlak en illustreert zijn ervaring met praktijkvoorbeelden.  Drie 18-jarige verpleegsters ontwikkelden Lupus na herhaalde testen en tyfus/paratyfus vaccinatie en overleden respectievelijk na 1 jaar, 15 maanden en 7 jaar.  Het begin van hun ziekte viel telkens samen met de vaccinaties, waarbij de reactie na elke inenting erger werd.  Bij één van hen ontwikkelde de lupus zich op de plaats van inenting.

Hyperimmunisatie kan volgens Young (1978) leiden tot een omkering (inversie) van de immuunrespons, wat dan in se weer aanleiding kan geven tot HLA-gebonden aandoeningen.  Op die manier wordt hyperimmunisatie wel degelijk gelinkt aan pathologische processen. 

Een ander artikel drukt het nog sterker uit. “Als reactie op de overdosis vertoonde de gemiddelde titer een jaar later een scherpe daling vergeleken met het niveau bij controle-patiënten.  Dit kan worden verklaard door het reeds bekende feit dat herhaaldelijke blootstelling aan een antigeen, of een overdosis antigeen, de immuunrespons niet blijvend zal stimuleren, en kan leiden tot blokkering of tolerantie op het niveau van T- of B-lymfocyten.  Na herhalingsinentingen is er  een toename qua aantal en activiteit van suppressor-T-lymfocyten, en eveneens een daling in de activiteit van B-lymfocyten, wat samen valt met een daling in de synthese van tetanus-antistoffen in verschillende fasen na de herhalingsinenting.  Bovendien kunnen de grootte en de duur van de humorale immuunrespons op een specifiek antigeen grondig beïnvloed worden door circulerende antistoffen gericht tegen dit antigeen.  De overmaat antigeen kan het aantal B-cellen doen toenemen.  Daarenboven kan een feedback effect, gestimuleerd door hoge dosissen antistoffen tegen het toxine, de productie van meer antistoffen op een later ogenblik onderdrukken.