Incubatievaccinatie

Elke vaccinatie houdt een zeker risico in.  Zowel de antigenen van de virussen of bacteriën als de toegevoegde stoffen in het vaccin kunnen ernstige nevenwerkingen uitlokken.  Maar dat risico wordt veel groter wanneer een vaccin wordt toegediend tijdens een epidemie.  Iemand die reeds besmet was reageert blijkbaar heel anders dan iemand die nog niet geïnfecteerd was.

Het gevaar op dergelijke situatie is blijkbaar groter tijdens de incubatiefase van een ziekte.  De incubatiefase is de tijd tussen het moment van de infectie en het verschijnen van de eerste symptomen.  Deze periode kan variëren van enkele uren tot meerdere dagen.  Tijdens deze fase is men zich helemaal niet bewust van de infectie.  Het natuurlijk verloop is dat nooit ofte nimmer twee ziekten tegelijk optreden.  Bij een infectie mobiliseert het lichaam alle verdedigingsmechanismen die nodig zijn om de infectie te stoppen.  Wanneer men tijdens deze fase toch besmet wordt op een onnatuurlijke manier, bijvoorbeeld door vaccinatie, heeft ons immuunsysteem het veel lastiger om met deze situatie om te gaan en efficiënt te reageren.

Er kunnen zich twee verschillende situaties voordoen.  Ofwel werd men gevaccineerd met een bacterie of kiem die verschilt van die welke de natuurlijke infectie veroorzaakte.  In die situatie heeft ons lichaam het al veel moeilijker om af te rekenen met beide infecties tegelijk.  De reacties zijn complexer, de genezing verloopt trager.  Dit is de reden waarom iemand die niet volledig gezond is nooit mag gevaccineerd worden.  Zelfs een banale verkoudheid is een geldige reden om een vaccinatie uit te stellen.

Wanneer men bovendien gevaccineerd wordt met (bijna) dezelfde kiem als degene waarmee men reeds besmet was dan lijkt plots alles fout te lopen.  De reactie is veel heviger, en de prognose veel slechter.  De aanvankelijke infectie lijkt een soort overgevoeligheid veroorzaakt te hebben, of het immuunsysteem is “gesensitiseerd” waardoor het anders gaat reageren.

Een van de onderzoekers die de nadruk heeft gelegd op dit fenomeen was de Duitse dokter en specialist Inwendige Geneeskunde G. Buchwald. Zijn ervaringen stammen uit de tijd van de pokkenepidemieën.  Telkens weer ervoer hij hoe mensen die eerder besmet werden met het pokkenvirus tijdens een epidemie, maar toch gevaccineerd werden, veel zieker werden en zelfs stierven, veel vaker dan zij die nog niet besmet waren.

Buchwald was trouwens niet de eerste om dergelijke feiten vast te stellen.  Op het einde van de negentiende eeuw beschreven meerdere Duitse auteurs een aandoening die nieuw was voor hen: Pfeiffer in 1892 (1), Epstein in 1893 (2) en Fürst in 1896 (3).  Ze noemden deze nieuwe aandoening ‘Purpura haemorrhagica’.  De ziekte begon met bloedingen in het oogbindvlies, later gevolgd door bloedingen uit alle lichaamsopeningen.  Alle gevallen eindigden met de dood.  Mettertijd merkten ze dat twee factoren cruciaal waren om de ziekte in te leiden.  Ten eerste moest het slachtoffer gevaccineerd zijn geweest tegen de pokken; ten tweede moest er een pokkenepidemie heersen in de gemeenschap.  Na die observaties werd de naam van de ziekte gewijzigd tot ‘Purpura haemorrhagica’, later tot 'Purpura vaccinatoria' of 'Purpura variolosa’.  Bij al die aandoeningen werden geen pokkenblaasjes waargenomen, in tegenstelling tot de ‘variola haemorrhagica’ (de bloederige pokken) waar wel pokkenblaasjes optraden (4).

Andere onderzoekers, waaronder Von Pirquet, (5), Gins (6) and Höring (7), bevestigden dat de aandoening uitsluitend voorkwam bij gevaccineerden, en dat bijgevolg pokkenvaccinatie dé oorzaak was voor deze catastrofe.

Het probleem van incubatievaccinatie werd ook vastgesteld na andere vaccinaties.

In 1899 vaccineerde Wright 303 soldaten tegen tyfus in Lucknow; binnen de 19 dagen na vaccinatie vertoonden vijf van hen een ernstige vorm van tyfus, en twee van hen overleden.  Bij 208 niet-gevaccineerde soldaten van het zelfde regiment werd geen enkel geval van tyfus vastgesteld (8).  Dit bewijst dat het optreden van de ziekte bij de gevaccineerden geen toeval was.  Daarom vermeldt Wright een ’negatieve fase’ na vaccinatie waarmee hij een periode aanduidt van verminderde weerstand tegen de ziekte waartegen de patiënt werd gevaccineerd, en dus een grotere vatbaarheid voor de ziekte.  Rättig (1958) definieert een negatieve fase als “een serologisch bewezen daling van specifieke of niet-specifieke antistoffen na vaccinatie bij mensen of dieren” (9).

Dit vermoeden werd naderhand met absolute zekerheid bevestigd door Eibl na vaccinatie tegen tetanus (10).

Een ander treffend verhaal is dat van de Duitse dokter Burmeister.  Tijdens de tweede wereldoorlog werd een geval van pokken vastgesteld in zijn eenheid.  De patiënt stierf vijf dagen later.  Daarna werd de hele eenheid opnieuw gevaccineerd.  Uit angst voor de negatieve fase weigerde Burmeister ook het ziekenhuispersoneel te laten vaccineren.  Het resultaat was dat bij zijn medisch personeel geen enkel geval van pokken optrad.  Maar de soldaten die in het ziekenhuis waren opgenomen werden wel gevaccineerd.  Daarop werden bij hen 30 gevallen van pokken vastgesteld waarvan er 3 overleden (4).

In Heidelberg, Duitsland, werden tijdens de epidemie van 1958 - 1959 mensen met een kwetsbare immuniteit (patiënten met eczema, de zwaar zieken, patiënten met koorts of uitputting…) niet ingeënt, zelfs niet wanneer een recent contact met een pokkenpatiënt bewezen was.  Geen van hen kreeg de pokken, ondanks hun verzwakte toestand (4).  (Deze politiek is precies het omgekeerde van de hedendaagse trend om risicopatiënten als eerste te vaccineren).

De Duitse expert prof. dr. Herrlich schrijft in 1916 dat het niet alleen geen zin heeft iemand te vaccineren later dan 5 dagen na zijn infectie met pokken, maar dat in zo’n geval de procedure zelfs gevaarlijk is (11).  Hetzelfde jaar herhaalt hij zijn bezorgdheid in een andere publicatie, en geeft uiting aan zijn vermoeden dat dag 7 en 8 na de infectie het grootste risico vormen (12).

Hij nam deze voorzichtige houding aan nadat in Ansbach, Düsseldorf en Monschau gevallen waren vastgesteld met dodelijke afloop (zie tabel).  Twee andere Duitse auteurs, Spahn en Pöhn, bevestigden de waarschuwingen van Herrlich.  Spahn schreef: “Bij vaccinatie van contactpersonen moet deze hervaccinatie in elk geval plaats grijpen op de derde of vierde dag, uiterlijk op de zesde dag” (13).  Pöhn (1970) bevestigt: “Het gebruik van vaccinia(= pokken)-antigeen is tegenaangewezen in dergelijke gevallen (d.w.z. tijdens een epidemie), ten eerste omdat de tijd ontbreekt om een gecombineerde vaccinatie toe te dienen volgens de regels van de kunst, maar vooral omdat de toediening van een geïnactiveerd vaccin tijdens de incubatieperiode zou kunnen leiden tot ernstige reacties (purpura variolosa)” (14).

Buchwald vermeldt nog een frappant verhaal.  In 1972 reisde een Joegoslavische burger, E. Hodzaj, van Belgrado naar Hannover in Duitsland.  Blijkbaar werd hij besmet met de pokken voor zijn vertrek.  Hij zwierf door Hannover gedurende ten minste 12 dagen voor zijn toestand duidelijk werd.  Intussen was hij in contact geweest met wellicht wel duizenden mensen op publieke plaatsen en op het openbaar vervoer, waarvan er intussen reeds veel naar elders gereisd waren.  678 contacten in de eerste graad werden geïdentificeerd.  Ze werden allemaal geïsoleerd maar niet gevaccineerd uit angst voor de negatieve fase.  Na 17 dagen quarantaine werden ze allemaal vrij gelaten zonder een enkel probleem.  In het dorp in Joegoslavië waar die burger vandaan kwam werden echter 900 mensen gevaccineerd onder militaire dwang.  Daarop kregen 175 van hen de pokken en 35 personen overleden (4).  In hetzelfde artikel geeft Buchwald nog een gedetailleerd verhaal van vier gevallen meet dodelijke afloop na incubatie vaccinatie tegen de pokken.  De tabel hieronder illustreert hoe, in de loop van drie verschillende epidemieën, uitsluitend mensen die gevaccineerd werden tijdens de incubatiefase de pokken kregen, en sommigen van hen stierven (4).

  Düsseldorf Monschau Meschede Totaal
contactpersonen 148 732 303 1183
gevaccineerd 95 442 172 709
aantal gevallen 5 33 20 58
overlijdens 2 1 4 7
niet gevaccineerd 53 290 131 474
aantal gevallen 0 0 0 0
overlijdens 0 0 0 0

En er zijn nog meer voorbeelden van incubatievaccinaties en de catastrofale gevolgen ervan.

Brody en Sorley beschrijven in 1947 het afschuwelijke verhaal van een baby die gevaccineerd werd tegen kinkhoest in de beginfase van de ziekte.  Twee weken later vertoonde het kind een lichte vorm van hersenvliesontsteking.  Desondanks werd het kind opnieuw gevaccineerd, en na een week kreeg het opnieuw hersenvliesontsteking.  Na de derde vaccinatie trad de meningitis opnieuw op na na drie dagen.  Tijdens een spontaan herval van de ziekte een jaar later werd een testdosis van het vaccin in de huid ingespoten met als gevolg een slappe verlamming binnen de 12 uur na test.  Zeven weken later overleed het kind aan een bronchopneumonie (15).

Anderson en Skaar (1951) merkten op dat polio niet alleen hoofdzakelijk het gevaccineerde lidmaat trof, maar dat de ziekte ook ernstiger verliep bij de gevaccineerden dan bij niet-gevaccineerden (16).

Greenberg (1952) stelde hetzelfde fenomeen vast na vaccinatie tegen difterie, tetanus, kinkhoest, of een combinatie van deze vaccins.  Hij raadde daarom vaccinatie ten zeerste af tijdens een periode van polio (17).

In Nederland, tijdens de polio epidemie van 1992, werd een aantal zuigelingen besmet met het type 3 virus.  Thijssen-Bos beschrijft vier van hen die poliomyelitis opgelopen hadden.  Drie kinderen herstelden zonder blijvende gevolgen; deze drie waren niet gevaccineerd.  Het vierde kind werd heel erg ziek en overleed.  Het was gevaccineerd samen met zijn moeder toen het zeven dagen oud was.  Diezelfde dag werd het kind ziek, de volgende dag werd het opgenomen in het ziekenhuis maar ging snel achteruit en stierf tenslotte (18).

Al deze gegevens laten ons toe om bepaalde conclusies te trekken:

- na vaccinatie treedt er een tijdelijke daling op van de immuniteit gepaard met een toegenomen vatbaarheid voor de ziektekiem in het vaccin;

- deze observatie geldt voor alle vaccins en is dus niet specifiek voor één bepaald vaccin;

- vaccinatie tijdens een epidemie houdt altijd het risico in van besmetting met de circulerende wilde ziektekiem tijdens de negatieve fase, wat aanleiding geeft tot een bescherming die slechter is dan zonder vaccinatie.  Dit kan leiden tot een ernstiger verloop van de infectie met ernstige complicaties zoals bloedvergiftiging, meningitis en overlijden.

We kunnen het risico uitbreiden tot de omgekeerde situatie, namelijk wanneer de vaccinatie plaats grijpt na de infectie, dus tijdens de incubatieperiode.  Ook dan zal de negatieve fase na vaccinatie een abnormale verspreiding van de ziektekiem mogelijk maken met een ernstiger verloop van de ziekte.

In volgend nummer: het vervolg: Provocatie vaccinatie

Literatuur:

1. Pfeiffer, L.;    Verhandlg. 9. Versammlung GEs. Kinderheilk. Wiesbaden:133  J.F. Bergmann, 1892

2. Epstein, E.;    Jb. Kinderheilk., 1893; 35:442

3. Fürst, L.;  Die Pathologie der Schutzimpfung.  Berlin, Oskar Coblentz, 1896

4. Buchwald, G.;  Über Inkubationsimpfungen.  Med. Welt, 1973; 24/11: 408-10 

5. Pirquet, C. von;  Klinische Studien über Vaccination und vaccinale Allergie.  1907

6. Gins, H.A.;  Ein Beitrag zur Beurteilung der Dauer des Pockenimpfschutzes.  Dtsch med Wschr, 1916; 42:1155-6

7. Höring, F.O.;  Pocken.  Handbuch d Inn Med,1952;1:293-325

8. Wright, A.E.;  On the changes effected by antityphoid inoculation in the bactericidal power of the blood; with remarks on the probable significance of these changes.  Lancet, 1901; 158/4072: 715-23

9. Raettig, H.;  Die Provokation einer Infektionskrankheit durch Schutzimpfung.  Bundesgesundhblt, 1958; 9:129-32

10.  Eibl, M.M.; Mannhalter, J.W.; Zlabinger, G.;  Abnormal T-lymphocyte subpopulations in healthy subjects after tetanus booster immunization.  NEJM, 1984; 310/3:198-9

11. Herrlich, A.;  Probleme und Entwicklungsstand der Pockenschutzimpfung.  MMW, 1961; 103:1806

12. Herrlich, A.; Diesfeld, H.J.; Schmidt, H.;  Die Pockenerkrankungen in Ansbach 1961.  Dtsch med Wschr, 1961; 86:1413

13. Spahn, H.;  Aktuelle Probleme der Pockenschutzimpfung einschließlich überalterter Erstimpflinge.  Zschr ärztl Fortbild, 1964; 58:1226-31

14. Pöhn, H-P.;  Die Verwendung von Vaccinia-Immunglobulin bei der Pockenschutzimpfung und bei Variola-Erkrankungen.  Bundesgesundhblt, 1970; 13/15:180-1 

15. Brody, M.; Sorley, R.G.;  Neurologic complications following the administration of pertussis vaccine.  Brooklyn Hosp J, 1947; 5:107-13

16. Anderson, G.W.; Skaar, A.E.;  Poliomyelitis occuring after antigen injections.  Pediatrics, June 1951; 7/6:741-59

17. Greenberg, M.; Abramson, H.; Cooper, H.M.; et al.;  The relation between recent injections and paralytic poliomyelitis in children.  Am J Publ Health, 1952; 42/2:142-52

18. Thijssen-Bos, F.; Oostvogel, P.M.; Huijbers, W.; et al.;  Vier jonge zuigelingen met polio.  Ned Tijdschr Geneeskd, 1993; 137/28:1377-80