Influenza

DE ZIEKTE

Influenza is een specifiek syndroom, uitgelokt door een specifieke verwekker: het influenza-virus.  De symptomen kunnen mild of ernstig zijn, of zelfs tot de dood leiden bij mensen met een verzwakte algemene toestand.

Men heeft twee grote families onderscheiden bij de influenza-virussen: influenza A en B.  Er zijn anderzijds heel veel verschillende stammen van het influenzavirus, en bovendien muteren deze stammen voortdurend.  Daarom is het een haast onmogelijke opdracht om de verwekkers van een nieuwe influenza-epidemie te voorspellen, en nog moeilijker om op tijd een passend nieuw vaccin klaar te stomen.  Het voortdurend muteren van de virussen, en de onvoorspelbaarheid van welk virus waar en wanneer zal opduiken, maken van de hele griepvaccinatie een reusachtig pokerspel.  Daarenboven veroorzaken de kweekmethodes voor het virus mutaties die de identificatie van de virusstam kunnen bemoeilijken (35).

HET VACCIN

De meest opvallende misleiding van het publiek is echter de suggestie dat iemand die een influenza-vaccin gekregen heeft geen griep zal krijgen.  Wat de mensen over het     algemeen kennen als "griep" is een influenza-achtige toestand, met symptomen zoals koorts, koude rillingen, spierpijn of gewrichtspijn, hoofdpijn, neusloop en een algemeen gevoel van onwel zijn.  Deze aandoening heeft echter niets te maken met de echte "influenza", en kan dan ook op geen enkele wijze voorkomen worden door een influenza-vaccinatie.  Indien dokters hun patiënten beloven dat ze geen ‘griep’ zullen krijgen na een influenzavaccinatie is dit dus niets anders dan een onethische manipulatie, waarvoor de redenen eerder moeten gezocht worden bij het financieel voordeel voor zowel de producenten als bij diegenen de het vaccin toedienen.

Naast deze manipulatie rijzen er vragen over de efficiëntie en de veiligheid van het vaccin.

EFFICIËNTIE

Het gebrek aan efficiëntie van het vaccin wordt goed aangetoond in een Nederlands artikel over een home voor bejaarden (6).  Ondanks vaccinatie van twee derden van alle bewoners trof een zware griep 49% van hen, met zware ziekteverschijnselen (bacteriële infecties, pneumonie) en een hoog sterftecijfer (10%).  Belangrijk om weten was dat bij de gevaccineerden 50% de ziekte kregen, vergeleken met 48% bij de niet gevaccineerden.  De antistoffen voor influenza A waren positief bij 41% van de gevaccineerden vergeleken met 36% bij de niet-gevaccineerden.  Dit toont duidelijk aan dat het gevaccineerd zijn geen enkele beschermende invloed had.  Latere laboratoriumstudies bevestigden dat antistofvorming tegen het vaccin normaal verlopen was, maar het influenza A virus had niet gereageerd op het toegediende vaccin.

De vergelijking met een gelijkaardige situatie in een ouderlingentehuis in 1988 leert dat in dit geval zowel de morbiditeit (ziekte) als mortaliteit (sterftecijfer) beduidend lager waren, namelijk 37 en 3%.  Het voornaamste verschil tussen beiden was echter dat... in het tweede tehuis niemand gevaccineerd was!

 Het opwekken van antistoffen bij oudere personen is nooit hoger dan 52 à 67% (43).  Morris beweert zelfs dat de efficiëntie nooit hoger ligt dan 20%, zelfs als het vaccin perfect past bij het circulerende virus (23).  John Forbes van het Fairfield Hospital, Melbourne, verklaarde dat de efficiëntie niet hoger was dan 30% (19).  Smith, die in 1974 het effect beschreef van influenza vaccinatie in een groot bedrijf, besloot dat het jaarlijks aanbod van vaccinatie niet resulteerde in een beduidende afname van de ziekte (58).

Indien er toch enige bescherming optreedt, dan is die niet blijvend omdat er elk jaar nieuwe serotypes optreden en de antistoffen een korte levensduur hebben (53).

Shann (53) vermeldt twee voorwaarden voor een efficiënt vaccin.

Ten eerste varieert het resultaat naargelang de respons van het immuunsysteem op het vaccin.  Dus hebben we mensen die goed reageren op het vaccin omdat hun immuunsysteem goed werkt.  Maar dat is ook de groep die goed zal reageren op de ziekte zonder verwikkelingen, en bijgevolg ook geen vaccin nodig heeft.  De groep die meer risico's loopt zal ook minder goed reageren op het vaccin, en als er al antistoffen gevormd worden zijn het vaak nog de verkeerde (zie later).

Ten tweede hangt volgens Shann de efficiëntie van het vaccin samen met de gelijkenis tussen het virus in het vaccin en het circulerende virus.  Deze gelijkenis is vaak ver te zoeken, omdat de keuze voor de virussen voor het vaccin van de volgende winter reeds in februari gemaakt moet worden, terwijl deze virussen in de loop van de zomer en herfst blijven muteren en hun antigenen veranderen (3).

Hoewel het duidelijk is dat een groot verschil tussen beiden de kansen van een vaccin zo goed als tot nul herleidt, is het niet zo dat een goed passend vaccin noodzakelijk ook veel resultaat geeft.  A. Morris illustreerde bij zijn vroegere studie over het influenza vaccin dat een geringe efficiëntie van het vaccin NIET noodzakelijk het gevolg is van een slechte "matching" van de virussen.

In 1969 slaagden Hjordis et al er niet in enig preventief nut aan te tonen van een vaccin met twee verschillende virusstammen (A2 Hong Kong en een B stam) (29).

Waldman et al ontdekten tijdens de winter van 1967-68 dat de bescherming niet hoger lag dan 27%  (63).

 Keitel et al zagen geen verschil tussen een placebo groep, personen die voor het eerst werden ingeënt, en mensen die twee of meer recente vaccins toegediend gekregen hadden (33).

De veiliger "split virus" vaccins zijn tegelijk ook minder werkzaam (53).

Verder kunnen fouten bij de productie, het transport, de bewaring en de toediening van het vaccin verantwoordelijk zijn voor een verder verlies van efficiëntie (15).

In een interview (23) gaf dr. A Morris, vroeger stafmedewerker bij de Food & Drug Administration, uitleg over waarom griepvaccins gewoonweg niet kunnen werken, en dit zelfs op zuiver theoretische grond.  Alle tot dan toe gebruikte griepvaccins waren immers dode virus vaccins, die enkel IgG-antistoffen produceerden.  Om zich te beschermen tegen infectie met het griepvirus heeft men echter een mucosale (slijmhuid-)immuniteit nodig, gevormd door IgA-antistoffen.  Zoals gezegd worden deze antistoffen nooit verwekt door gedode virus vaccins!

Shann schrijft dat kinderen en niet-gevaccineerde volwassenen twee dosissen nodig hebben van een veel sterker vaccin voor een afdoende antistofvorming (53).  Aangezien deze techniek nooit wordt toegepast moeten vele pogingen tot "immunisatie" wel falen.

(Jaarlijks) herhalen van het vaccin vermindert de invloed van het vaccin in plaats van hem te vergroten.  Hoskins (30) vond enige mate van bescherming enkel en alleen bij wie een eerste keer gevaccineerd was; bij vergelijking met een niet-gevaccineerde groep was er na drie jaar geen enkel verschil te bekennen.  Feery stelde in Australië eveneens een daling van het effect vast na herhaaldelijk vaccineren (17).  Zajac ontdekte dat bij gevaccineerde soldaten er minder bescherming te bespeuren was bij hen die het jaar tevoren reeds gevaccineerd waren dan bij de groep die voor het eerst ingeënt werd (72).

De antistofspiegel daalt minder snel na de natuurlijke infectie dan na vaccinatie (34), wat eens te meer de superioriteit aantoont van het immunogeen vermogen van een natuurlijke infectie ten opzichte van vaccinatie.

Levend virus-vaccins zouden in principe werkzamer kunnen zijn indien ze de juiste virusstam bevatten.  Zulk vaccin is reeds in gebruik in de USA maar niet bij ons.

Griepachtige aandoeningen zijn niet noodzakelijk veroorzaakt door influenza virussen.  Vaak spelen andere virussen een rol, zoals het RSV. Deze virussen worden niet beïnvloed door influenza vaccinatie.  

Fleming & Cross schreven na hun analyse van dodelijk verlopen luchtweginfecties dat hun gegevens erop wezen dat RSV even belangrijk is als het influenza virus als oorzaak van ziekte en dood bij oudere mensen (21).  Ook schrijven ze dat het mogelijk is dat er nog andere pathogenen met gelijkaardige epidemische kenmerken bij betrokken zijn.  Ze besluiten dat een geïntegreerde klinische en virologische bewaking essentieel is wil men epidemies veroorzaakt door RSV, influenza virus of eender welk ander virus correct interpreteren.  Ze besluiten ook dat het "moeilijk" is om de efficiëntie van influenza-vaccinatie in te schatten gezien het veelvuldig ontbreken van virologische bevestiging van de infectie.  Het spreekt voor zich dat overlijdens die niet door het griepvirus worden veroorzaakt ook niet door een influenza vaccin kunnen voorkomen worden.

Op 12 oktober 2005 ontvangt het Oklahoma Medical Research Foundation 8 miljoen dollar om uit te vissen waarom het griepvaccin niet werkt bij bepaalde personen met een gehavend immuunsysteem...

In het kader van de Cochrane Collaboration publiceren Jefferson et al in 2010 een meta-analyse over het nut van griepvaccinatie bij 65-plussers (31).  Ze analyseerden griepperiodes over de laatste 40 jaar, in verschillende werelddelen, op basis van 75 weerhouden betrouwbare studies.  Hun conclusie is dat het nut in deze subgroep niet kan bewezen worden aan hand van de bestaande studies. 

Secundaire preventie blijkt al evenmin te werken.  Thomas et al. (2010) keken of vaccinatie van gezondheidswerkers het risico op influenza bij 60+ers kon beperken.  De conclusie was dat noch laboratorium-bevestigde influenza, noch longontsteking, noch overlijden ten gevolge van pneumonie konden ingedijkt worden door vaccinatie (62).  De ogenschijnlijke voordelen qua griepale infecties, aantal doktersbezoeken en algemene mortaliteit worden in deze studie zwaar in twijfel getrokken. 

Een overzichtstudie van vaccinatie bij nog een andere risicogroep, namelijk pediatrische kankerpatiëntjes, leverde evenmin argumenten voor efficiëntie (20).  Hoewel een zekere antistofvorming kon aangetoond worden leverde geen enkele studie het bewijs van klinische bescherming bij deze patiënten.  

Aan astma patiënten  wordt eveneens aanbevolen zich te laten vaccineren tegen influenza.  Nochtans ontbreken ook hier de argumenten voor deze richtlijn.  Cates et al (2008) deden een meta-analyse over 9 betrouwbare studies, en vonden niet minder astma bij gevaccineerden (8).

Bij COPD-patiënten blijkt het vaccin wel te zorgen voor een daling van het aantal opstoten op langere termijn, d.w.z. vanaf 3 weken na vaccinatie (45).

VEILIGHEID

Vragen over de veiligheid van het influenza vaccin zijn niet nieuw.  Reeds in 1973 schreef Rabin dat tussen 1966 en 1970 praktisch alle in de USA gemaakte influenza-vaccins toxisch waren (47).  De Cochrane meta-analyse van Jefferson (2010) laat geen conclusies toe wat betreft de veiligheid van het vaccin bij 65+ers , wegens de onvoldoende kwaliteit van de uitgevoerde studies (31).

ALGEMENE REACTIES

Glazier vond veralgemeende reacties bij 22% van alle voor het eerst gevaccineerden (24).

LOCALE REACTIES

Locale roodheid, warmte en zwelling treden op op de plaats van inspuiting (69).

Poole et al. (2006) stellen een toename vast aan locale reacties na vaccinatie (45).

NEUROLOGISCHE REACTIES

Gedurende vele jaren werden neurologische verwikkelingen van influenza vaccinatie zonder meer ontkend.  In 1966 schreef Stuart-Harris: "Er is weinig bewijs voor dat eender welk van deze neurologische problemen tijdens of na influenza specifiek door het influenza virus veroorzaakt worden (60)."  En in 1971 was Wells er nog steeds van overtuigd dat er op dat moment geen enkele manier was om het oorzakelijk verband tussen vaccinatie en aantasting van het zenuwstelsel te bevestigen of te ontkennen (67).

Nochtans toonden latere studies uit de USA aan dat er wel degelijk een verband bestond.  Vaststellingen tijdens en na de A/New Jersey massavaccinatiecampagne in 1976 leidde tot overtuigende statistieken (zie het hoofdstuk over GBS).  Duitse auteurs berekenden frequentie van neurologische problemen op 1/0,7 miljoen dosissen voor influenza B vaccins en op 1/13 miljoen dosissen voor influenza A vaccins  (15).  Het is duidelijk dat voor deze cijfers enkel gedocumenteerde gevallen in aanmerking zijn genomen, terwijl in de regel niet alle gevallen correct zijn gediagnosticeerd en gemeld.  De echte cijfers liggen dus wellicht een stuk hoger.

Het eerste syndroom waarvan een duidelijk verband met influenza vaccinatie werd aangetoond was het Guillain-Barré syndroom (GBS) in 1977.  Slechts een jaar later ontdekten onderzoekers dat neurologische complicaties absoluut niet beperkt waren tot dit ene syndroom.  Integendeel, zij vonden een hele reeks neuologische afwijkingen (27).  Hennessen et al. noemen het spectrum aan verwikkelingen " opvallend breed", en merken daarbij op dat het in de loop van een postvaccinale ziekte niet zelden gebeurt dat deze kwalen zich vermengen in verschillende cocktails.

Hoewel de eerste syndromen ontdekt werden na het A/ New Jersey vaccinatieprogramma kan men zeker niet alle problemen toeschrijven aan dit ene vaccin.  Alle 28 gevallen die beschreven werden door Hennessen et al waren bijvoorbeeld personen die gevaccineerd waren met vaccins die deze A/ New Jersey stam niet bevatten.

Nog meer epidemiologische gegevens werden verzameld door Hennessen et al.  Het voorkomen van kwalen was significant hoger in de herfst (van september tot novermber), vier keer vaker bij mannen dan bij vrouwen, bij alle leeftijdsgroepen (16-73 jaar) met een gemiddelde van 38,9 jaar.  De tijdspanne tussen vaccinatie en de eerste symptomen varieerden tussen 24 uur en 4 weken, met een gemiddeld interval van 11,3 dagen (27).

Verlammingen

  • Guillain-Barré Syndroom (GBS)

In 1966 had Leneman reeds een geval van GBS na influenzavaccinatie beschreven (37).  Het verband tussen influenza vaccinatie en GBS werd bewezen na de massavaccinatie met het A/ New Jersey vaccin in de USA in 1976.  In 11 staten wees de vergelijking van gevaccineerden en niet-gevaccineerden uit dat bij de gevaccineerden GBS55 voorkwam in 1,55/miljoen gevaccineerden, vergeleken met 0,17/miljoen bij niet-gevaccineerden; dit wil zeggen 9,11 keer meer bij gevaccineerden.  Hennessen cieert andere cijfers: 8,0/miljoen bij gevaccineerden tegenover 1,8/miljoen bij niet-gevaccineerden  (27);  Shann citeert 1/100 000, wat een zesvoudige toename voorstelt (53).  In Ohio stelde men 13,3/miljoen gevallen voor bij gevaccineerden tegenover 2,6/miljoen bij bij ongevaccineerden, wat een relatief risico van 5,1 voorstelt met een veiligheidsmarge van 80,5.  Bij de gevaccineerde groep stierven ook veel meer mensen aan de ziekte (15,6 vs 4,5%).  Deze cijfers "dwongen het departement volksgezondheid het vaccinatieprogramma op te heffen naarmate de bewijslast voor een mogelijk toegenomen risico op GBS bij gevaccineerden toenam." (38)  31% van de slachtoffers was meer dan 60 jaar.  Slechts 12% van de gevallen trad op binnen de 7 dagen na vaccinatie; 74% tussen 8 en 28 dagen; en 14% zelfs na meer dan een maand (2).  De meeste gevallen werden vastgesteld tussen 2 en 4 weken na vaccinatie.  Uitzonderingen kwamen nog voor tot 9 weken na vaccinatie.  Ehrengut & Allerdist melden dat binnen de 3 weken na vaccinatie de frequentie reeds gestegen is tot 3,12 gevallen per miljoen gevaccineerden (15),  wat het risico voor gevaccineerden zou doen oplopen tot 18,35.

Maar daarbij eindigt het verhaal niet.  Tijdens de jaren na het debacle van de Varkensgriep bleven de gevallen van GBS toenemen na influenza vaccinatie.  Tussen januari 1978 en maart 1981 werden nogmaals 575 gevallen van GBS genoteerd in het nationaal registratieprogramma.  67% daarvan was twee jaar tevoren gesensitiseerd geworden door het A/ New Jersey (Varkensgriep) virus (51).

Ehrengut & Allerdist beschrijven een geval dat evolueerde van verlamming van de ledematennaar aantasting van de tussenribspieren en aangezichtsverlamming (15).  Deze verwikkeling kan zich voordoen bij normale,  gezonde individuen zonder enige voorafgaande ziekte.

Nog een aantal gevallen werden beschreven tijdens het IABS symposium in Geneve, 1977 (7).

De bijsluiter van het griepvaccin Fluvirin waarschuwt om Fluvirin niet toe te dienen aan een persoon die binnen de 6 weken na een vorig griepvaccin GBS ontwikkelde (bijsluiter).  Dit houdt impliciet de erkenning in van het risico op GBS na griepvaccinatie.

Faciaal paralyse

  • Aangezichtsverlamming  treedt over het algemeen op als onderdeel van een Guillain-Barré syndroom  (15), (27)..

Verlamming van de ledematen

  • Verlamming van beide bovenste ledematen trad op bij een 40-jarige man, met hevige pijn, atrofie van de deltoideus spieren en verminderde gevoeligheid van de rechter arm na inenting in de linker bovenarm (15).
  • Wells beschijf twee gevallen van dwarslesie (67).
  • Weintraub vertelt een geval van paralytische brachiaal neuritis na de varkensgriep vaccinatie (66).

Landry syndroom (27)

Hypoglossus verlamming (18)

Polyneuropathie

  • Polyneuritis kan optreden in handen en voeten, mogelijks vergezeld van paralytische symptomen (15). Gevallen van polyradiculitis, polyradiculomyelitis en polyganglioradiculites zijn gedocumenteerd geworden. Wells beschrijft een geval (67).
  1. Hypoesthesie
  2. Paresthesie (doofheid en kriebelen) (15), (27)
  3. Neuralgie (zenuwpijn)
    1. Trigeminusneuralgie (27)
    2. Ischialgie (rechtszijdig) (27)
    3. Intercostaal neuralgie (27)
    4. Sensorische brachiaal plexus neuropathie (Parsonage-Turner syndroom) (27), (22), (52).
    5. Pijnlijke polyneuropathie van de onderste ledematen (14).

Meningitis

  • Meningeale infectie en een stijve nek met positieve lumbaalpunctie kan bestaan als aparte entiteit of als onderdeel van een GBS syndroom (15).

Encephalopathie

  • Encephalomyelitis en encephalitis na influenza vaccinatie zijn beschreven. Een geval werd beschreven door Ehrengut en Allerdist met gezichtsverlies, gevolgd door volledig bewustzijnsverlies en verlamming (15).
  • Casus 10 beschreven door Hennessen had encephalitis met een centrale verstoring van de Nervus Vestibularis (27). Ook casus 13 in dezelfde studie had encephalitis. Casus 20 en 21 werden gediagnosticeerd als meningoencephalitis.
  • Woods (1964) beschrijft encephalitis bij een 7-jarig meisje acht dagen na vaccinatie (69).
  • Warren (1956) vertelt het verhaal van een 19-jarige man die, slechts enkele uren na zijn vaccinatie verward werd, half bewusteloos, met spierzwakte en rechtszijdige hyporeflexie (64).
  • In 1962 werden nogmaals twee gevallen beschreven (1).
  • Wells beschrijft een geval (67).
  • Rosenberg beschrijft een meningo-encephalitis die optrad 12 tot 14 dagen na inenting met een gezuiverd influenza vaccin (48).

Multiple Sclerose

  • Sommige auteurs beschreven een "recidiverend encephalomyelitisch syndroom" na vaccinatie (39), (71). Hennessen et al. zagen een soortgelijk geval, waarbij ze de zekerheidsdiagnose van MS konden stellen (27).
  • Toename van de symptomen werd vastgesteld bij 1 op 93 MS-patiënten die gevaccineerd werden tegen influenza (54), (55).

Ataxie

  • Moeilijkheden bij het gaan werden vastgesteld bij een 34-jarige man, 9 maanden na zijn influenza vaccinatie. De sensorische polyneuritis die ook begonnen was na de vaccinatie was op dat moment nog steeds niet verdwenen. Ataxie van het rechter been (27).

Hoofdpijn

  • Hevige hoofdpijn in de tijdspanne na vaccinatie is suggestief voor prikkeling van de hersenen of hersenvliezen en vereist onmiddellijk verder onderzoek (27). Migraine 3 dagen na inenting (19).

Desorientatie in de ruimte (27).

Bewusteloosheid

  • Herhaalde aanvallen van bewustzijnsverlies traden op in een geval beschreven door Stör & Mayer (59).

Beven van de bovenste ledematen (59).

Automatische bewegingen van vingers en tenen (59).

Afasie (spraakverlies) (27).

Myelopathie

  • Henderschee et al (28) beschreef een geval van acute myelitis bij een 56-jarige vrouw, drie dagen na vaccinatie. Ze had last van doofheidsgevoel in de voetendat opsteeg tot in de onderbuik, met moeite om te plassen en ongevoeligheid van de urethra, en moeilijke stoelgang. De gevoeligheid was aangetast vanaf dermatoom D7. Er bestond een spanningsgevoel onder de ribben en een bandgevoel rond de benen dat samen met het gevoel van op watten te lopen het gaan zo moeilijk maakte dat ze moeilijk anders kon dan struikelen. Er was geen pijn en de spierkracht was intact.
  • Een fataal afgelopen geval van acute dwarslesie na vaccinatie werd vastgelegd door Beghi (5). Wells vermeld eveneens twee gevallen (67).
  • Graus beschrijft hoe een gezonde 45-jarige man geteisterd werd door veralgemeende convulsies (door encephalopathie), ernstige dysesthesie, quadriplegie en dood, 2 weken na influenzavaccinatie. Het geval werd gedianosticeerd als Acute Necrotische Myelopathie. Het pathologisch proces hierachter is een auto-immuun reactie, vandaar dat dit vaker voorkomt bij MS-patiënten (25).

Convulsies

  • Stuipen 4 uur na inspuiting met een influenza A&B vaccin (12).

 

ADEMHALINGSPROBLEMEN

  • Bronchitis
    • Een sterke bronchitis met koorts werd vastgesteld bij een 29-jarige man die later eveneens GBS ontwikkelde (19).
  • Bronchopneumonie
    • Dit trad op bij een 41-jarige man, bij wie de symptomen startten met een paresthesie van de vingertoppen, en eindigden met de dood, 4 weken na vaccinatie (27).
  • Astma
    • Opflakkeringen van astma treden op na vaccinatie (42), (61), (13).
  • Oculo-respiratoir syndroom (41).

GASTRO-INTESTINALE PROBLEMEN

  • Overgeven
    • Trad op bij een man 13 dagen na vaccinatie; later gevolgd door verlammingsverschijnselen (15). Overgeven 4 uur na vaccinatie (11), (24).
  • Misselijkheid (27)
  • Diarree (24)
  • Rectale incontinentie (27)

URINAIRE SYMPTOMEN

  • Dysurie; blaasverlamming
  • Mictieproblemen bij een man 13 dagen na vaccinatie. De diagnose luidde: uitzetting van de blaas. Gevolgd door volledige verlamming van de blaas met noodzaak tot catheterisatie. Nog later werd ook verlamming van de ledematen vastgesteld (15).

SEKSUELE PROBLEMEN

  • Impotentie: verminderde seksuele potentie voor meer dan 3 maand bij een patiënt met GBS (15). Seksuele impotentie (27).

ORL

  • Duizeligheid
    • Duizeligheid met valneiging naar rechts, 5 dagen na vaccinatie, vergezelde een encephalitis bij een 18-jarige man (15).
    • Duizeligheid met nystagmus, mlinuten na vaccinatie, zo hevig dat de voorheen gezonde 13-jarige knaap niet eens meer kon zitten of staan (15). Aantasting van de N. Vestibularis in het kader van een encephalitis (27).
  • Oorsuizen (27)
  • Gehoorverlies (27)

Ogen

  • Prooptosis (27)
  • Oedema van de retina (27)
  • Veminderd zicht; wazig zicht (27)
  • Diplopie (27)
  • Nystagmus (27)
  • Verlamming van de oogspieren (hersenzenuwen VII & IX) (27)
  • Oculo-respiratoir syndroom (41)

Bloedsomloop

  • Shock
    • Hennessen (27) beschrijft enkele gevallen, zowel bij oudere mannen met hypertensie of bloeddrukval, als bij een jonge man met ophisotonus (rugkramp) en tonisch-clonische aanvallen enkele minuten na vaccinatie.
  • Voorbijgaande livide verkleuring van de handen (27).
  • Allergische thrombocytopenie bij een 58-jarige 7 dagen na vaccinatie. Veralgemeende boedingsneiging (13), (61). Verstoorde bloedstolling bij een jong kind (11).
  • Verstoorde bloeddruk, zowel naar onder als naar boven (27).
  • Angor pectoris (27).
  • Cyanose (11).
  • Vasculitis met purpura bij een 74-jarige enkele dagen na drie opeenvolgende griepvaccinaties; en bij een 39-jarige vrouw (één week na Vaxigrip) (14) .
    • Necrotiserende vasculitis van ledematen en romp, met purpura, bij een 63-jarige man, 20 dagen na vaccinatie (66).
      Het auto-immuunkarakter van deze letsels werd bewezen door de aanwezigheid van IgA en C3 afzetting in de letsels. (36)

Huidproblemen

  • netelroos (13), (61)
  • Angioneurotisch oedeem  (13), (61)
  • Erythema nodosum na 13 dagen (65)

Reumatische problemen

  • Reumatische gewrichtspijnen (14).
  • Lupus erythematodes disseminatus (LED, SLE): Kanwar, 1988 (32)

Algemene symptomen

  • Koorts
    • Koorts treedt op samen met andere syndromen, zoals meningitis of GBS. Koude rillingen gevolgd door hyperthermie in een fataal aflopend geval (11).
  • Slaperigheid
    • Ook dit fenomeen kan kaderen in een breder neurologisch syndroom, zoals GBS (15),  (27)..
  • Vermoeidheid
    • Vermoeidheid kan deel uitmaken van een globale vermindering van de functionaliteit (59). Chronische vermoeidheid kan nog jaren aanslepen nadat de infectie verdwenen is (15).
  • Anaphylactische reacties
    • Typisch voor de anaphylactische reacties is de korte incubatietijd. Ehrengut & Allerdist beschrijven zulken reactie bij een allergische persoon optredend een half uur na vaccinatie (15). Warren beschrijft een geval waar de reactie later komt, namelijk 4 tot 5 uur na vaccinatie, en gepaard ging met koorts, neusloop en bronchospasme (64).
  • Locked-in syndroom (9).
  • Serumziekte (65). Allergie (57).

Mentale problemen

  • Moeite om te denken (59).
  • Verlies van initiatief (59).
  • Verwardheid (69).
  • Hallucinaties (69).

Emotionele problemen

  • Depressiviteit (59).
  • Prikkelbaarheid (24)

Dood

  • Een 41-jarige man stierf 4 weken na vaccinatie, na progressieve polyneuropathie en bronchopneumonie (15). Overlijden na 4 dagen (67). Overlijden ten gevolge van acute dwarslesie van het ruggemerg (25).
  • Er stierven meer patiënten na postvaccinale GBS dan na GBS bij niet-gevaccineerde patiënten (38).
  • Curphey beschreef een fataal geval vij een 3,5 jaar oud kind met een allergische reactie en gebrekkge bloedstolling (11).

SENSITISATIE

Het ontbreekt influenza vaccins niet alleen aan beschermingskracht tegen de ziekte, men heeft bovendien vastgesteld dat gevaccineerden zelfs gevoeliger worden aan de ziekte. Het afweersysteem wordt inderdaadbeïnvloed, maar niet versterkt. Het wordt gesensitiseerd voor het ingespoten virus. Dit fenomeen werd reeds in 1901 beschreven door dr. Wright en anderen (70).

BIJBESMETTING

De virussen in het vaccin zijn geïnactiveerd met formaline of bewerkt met chemische stoffen zoals ether (15), (69). Uit ervaring weten we dat resten van deze stoffen onvermijdelijk in het vaccin terecht komen, zodat de gevaccineerde met deze uiterst toxische producten besmet wordt. Perkins waarschuwde voor bacteriële besmetting van de eieren waarin het virus gekweekt wordt. Hij beweert dat zelfs als RIF-virussen in de eieren geïnactiveerd worden hun aminozuren nog steeds het vaccin kunnen besmetten (44).

 

LEEFTIJDSVERDELING

De vele gevalsbeschrijvingen uit de medische literatuur tonen aan dat alle leeftijdsgroepen vatbaar zijn voor nevenwerkingen.

Belangrijk is de vaststelling dat ettelijke patiënten ernstige nevenwerkingen vertonen na vaccinatie, hoewel ze de voorgaande jaren geen reacties op het vaccin hadden vertoond. Dit bewijst dat het achterwege blijven van nevenwerkingen bij een patiënt nooit de garantie biedt dat die patiënt later ook geen problemen zal krijgen na vaccinatie.

Van degenen die GBS kregen na vaccinatie waren 11% minder dan 30 jaar, 58% tussen 30 en 59, en 31% 60 jaar of ouder.

 

INDICATIES

Traditioneel wordt het vaccin aanbevolen voor mensen die lijden aan chronische ziekten: hartziekten, ademhalingsproblemen, diabetes, en bij oudere personen.

Een artikel uit 1993 toont aan dat zelfs bij oudere personen (vanaf 65) slechts de helft beantwoordt aan de indicaties voor vaccinatie volgens de klassieke normen. Dit rechtvaardigt geen veralgemeende vaccinatie bij ouderen (40). In de BMJ raadt de redactie aan oude personen niet te vaccineren (37). Hassan et al bevelen een jaarlijkse influenzavaccinatie niet aan voor stabiele astmapatiënten vanwege de mogelijke neveneffecten (26).

In Nederland heeft men ook aan patiënten met terugkerende staphylococceninfecties de raad gegeven zich te laten vaccineren. De basis voor dit advies waren niet meer dan 3 patiënten die een opstoot deden na staphylococcen na influenza, waarbij een oorzakelijk verband tussen de griep en de infectie verre van bewezen was. Daarom dringen sommige auteurs ook sterk aan op het herroepen van deze indicatie (56).

 

CONTRA-INDICATIES

Elke aantasting van het afweersysteem moet behandeld worden als contra-indicatie voor influeza-vaccinatie.

  • Allergieën (16), vooral op bestanddelen van het vaccin. Allergie tegen eiwitten, koemelk. Hooikoorts. Mensen met een allergische aanleg reageren vaker overgevoelig op vaccinatie (27).
  • Acute infecties (16) met of zonder koorts moeten aanleiding zijn voor uitstel of afstel van vaccinatie. De herstelperiode van een ziekte is geen geschikt moment om te vaccineren (16).
  • Chronische aantasting van het immuunsysteem (auto-immuunziekte) betekent een verhoogd risico als en zich toch laat vaccineren.
  • Vaccins met volledige virussen mogen niet gebruikt worden bij kinderen (53).

KOSTEN-BATEN ANALYSE

Heeft alleen maar zin als het voordeel bestaat. Aangezien een significante bescherming niet kan aangetoond worden, vooral niet na herhaaldelijk vaccineren, ligt het gewicht helemaal aan de kant van de kosten. Dit houdt onder andere in: het geld besteed aan onderzoek, productie, propaganda, medische behandeling van nevenwerkingen, vergoeding van slachtoffers van vaccinatieschade, " die elk kunnen oplopen tot 1 à 10 miljoen dollar. (46)" Het debacle van de varkensgriep in de USA, 1977, kostte de staat toen zo wat 3 miljard dollar aan schadevergoeding.

Smith vergeleek werkverzuim door griep bij meer dan 100.000 bedienden, waarvan de helft gevaccineerd. Hij kwam tot het besluit dat influenzavaccinatie geen significante vermindering qua ziekte opgeleverd had (58). Een schijnbaar voordeel tijdens de epidemie werd teniet gedaan door de minder goede afwezigheidscijfers voor de gevaccineerden in de weken na de epidemie. Over het geheel van de observatieperiode was het aantal ziektedagen in de twee groepen gelijk.

Het enig voordeel van vaccinatie is het financieel voordeel voor de farmaceutische industrie, de apothekers, en de dokters die het vaccin toedienen.

 

LEVEND VIRUS VACCINS

Het voordeel van levende influenza virus vaccins is dat er IgA-antistoffen gevormd worden in de neus-keelholte, wat essentieel is bij het bekomen van mucosale immuniteit. Deze vaccins zijn momenteel niet verkrijgbaar.

EFFICIENTIE

De resultaten zijn volgens Shann ontgoochelend, met slechts 56-84% van de jonge volwassenen en 73-100% van de kinderen die antistoffen aanmaakten. Bij personen die vroeger reeds gevaccineerd werden met het dode vaccin lagen de cijfers nog lager (53).

VEILIGHEID

Volgens Shann veroorzaken levende influenza virus vaccins geen problemen (53).  Cates et al. (2008) melden in hun meta-analyse echter een toename van astma na gebruik van het nasale vaccin (8).

 

REFERENTIES

  1. Anon.;  Questions and answers.  JAMA, 1962; 181:70
  2. Anon.; MMWR,  25 (1977): 430; 26 (1977): 7; 26 (1977): 52
  3. Anon.;  CDC plays cat-and-mouse with flu virus.  JAMA 1990; 263/19: 2574-9
  4. Alvord, E.C.jr.;  Incubation period and severity of experimental allergic encephalomyelitis: analogy with swine-flu-vaccine-induced Guillain-Barré syndrome.  Ann Neurol, 1986; 19:100-1
  5. Beghi, E.; Kurland, L.T.; Mulder, D.W.;  Incidence of acute transverse myelitis in Rochester, Minnesota, 1970-1980, and implications with respect to influenza vaccine.  Neuroepidemiology, 1982; 1:176-88
  6. Beyer, W.E.P.; et al.;  Influenza-epidemie in een verpleeghuis door een virus dat niet in het vaccin was opgenomen.  Ned Tijdschr Geneeskd, 1993; 137/39:1973-7
  7. Bryan, J.; Noble, G.R.;  Guillain-Barré Syndrome after administration of killed vaccines.  Genf: Ref: IABS Symposium on Influenza Immunization 1.6-4.6.1977
  8. Cates, C.T., Jefferson, T.; Rowe, B.H.;  Vaccines for preventing influenza in people with asthma.  Cochrane Database of Systematic Reviews 2008, Issue 2. Art. No.: CD000364. DOI: 10.1002/14651858.CD000364.pub3 
  9. Cherington, M.;  Locked-in syndrome after “Swine flu” inoculation.  Arch Neurol, 1977; 34/4:258
  10. Coulter, H.L.; Fisher, B.L.;  DPT, a shot in the dark.  Harcourt Brace Jovanovich, 1985
  11. Curphey, T.J.;  Fatal allergic reaction due to influenza vaccine.  JAMA, 1947; 133/15:1062-4
  12. Dejongste, J.C.; et al.;  Bronchial responsiveness and leucocyte reactivity after influenza vaccine in asthmatic patients.  Eur J Respir, 1984; 65:196
  13. Denny, F.W.;  Reaction to influenza vaccine.  NEJM, 1958; 258:148
  14. Dos Santos, A.; et al.;  Vaccination antigrippale, cryoglobulinémie et vascularite (deux observations).  Rev Méd Int, 2001; 22 Supp 1:171
  15. Ehrengut, W.; Allerdist, H.; Über neurologische Komplikationen nach der Influenzaschutzimpfung.  Münch Med Wschr, 1977;119/20:705-10
  16. Essen, G.A.; et al.;  NHG-Standaard Influenza en influenzavaccinatie.  NHG-Standaard
  17. Feery, B.J.; et al.;  Different protection rates in various groups of volunteers given subunit influenza virus vaccine in 1976.  J infect dis, 1979; 139:237-41
  18. Felix, J.K.; Schwartz, R.H.; Myers, G.J.;  Isolated Hypoglossal Nerve Paralysis Following Influenza Vaccination.  Am J Dis Child, 1976; 130/1:82-3
  19. Forbes, J.;    The Age, 1976; 18.4
  20. Goossen, G.M.; Kremer, L.C.M.; van de Wetering, M.D.;  Influenza vaccination in children being treated with chemotherapy for cancer.  Cochrane Database of Systematic Reviews 2009, Issue 2. Art. No.: CD006484. DOI: 10.1002/14651858.CD006484.pub2
  21. Fleming, D.M.; Cross, K.W.;  Respiratory syncytial virus or influenza?  Lancet, 1993; 342: 1507-10
  22. Furlow, T.W.;  Neuropathy after Influenza Vaccination.  Lancet, 1977;1/8005:253-4
  23. Gaublomme, K.;  Interview Dr. Anthony Morris BS, MS, PhD.  The International Vaccination Newsletter, 1995; 3:4-8
  24. Glazier, M.M.; Bennenson, A.S.; Wheeler, R.E.;  Active immunizations with influenza virus A and B in infants and children.  Pediatrics, 1956; 17:482
  25. Graus, F.; Ribalta, T.; Ribera, G.; et al.;  Acute necrotic myelopathy associated with influenza vaccination.  Lancet, 1987; 329/8545:1311-2
  26. Hassan, W.U.;  Henderson, A.F.; Keaney, N.P.;  Influenza vaccination in asthma.  Lancet, 1992; I: 194 
  27. Hennessen, W.; Jacob, H.; Quast, U.;  Neurologische Affektionen nach Influenza - Impfung.  Der Nervenarzt, 1978; 49/2:90-6
  28. Herderscheê, D.; Rensing, J.C.B.M.; Ottervanger, J.P.;  Myelopathie na influenzavaccinatie.  Ned Tijdschr Gen, 1995; 139/42:2152-4
  29. Hjordis, M.F.; Cooney, M.; et al.;  A field trial of Hong Kong-strain influenza vaccine in Seattle schoolchildren.  Bull WHO, 1969; 41:562-3
  30. Hoskins, T.W.; et al.;  Assessment of inactivated influenza-A vaccine after three outbreaks of influenza A at Christ’s Hospital.  Lancet, 1979; 313/8106: 33-5
  31. Jefferson, T.; et al.;  Vaccines for preventing influenza in the elderly.  Cochrane Database of Systematic Reviews 2010, Issue 2. Art. No.: CD004876. DOI: 10.1002/14651858.CD004876.pub3
  32. Kanwar, A.J.; et al.;  Lupus vulgaris following BCG vaccination.  Int J Dermatol, 1988; 7:525-6
  33. Keitel, W.A.; Cate, T.R.; Couch, R.B.;  Efficacy of sequential annual vaccination with inactivated influenza virus vaccine.  Am J Epid, 1988;127/2: 353-64
  34. Kilbourne, E.D.;  Inactivated influenza vaccines.  In: Plotkin, S.A., Mortimer E.A.Jr.; Vaccines. Philadelphia: WB Saunders, 1988:420-34
  35. Larkin, M.;  Influenza database launched on the internet.  Lancet, 1998; 352: 377
  36. Laurat, E.; Cador, B.; Cazalets, C.; et al. Une complication rarissime de la vaccination antigrippale.  Rev Méd Int, 2001; 22 Supp 1:171
  37. Leneman, F.;  The Guillain-Barré syndrome. Arch Intern Med, 1966; 118:139-44
  38. Marks, S.M.; Halpin, T.J.;  Guillain-Barré syndrome in recipients of A/New Jersey influenza vaccine.  JAMA, 1980; 243:2490-4
  39. Miller, H.; Cendrowski, W.; Schapira, K.;  Multiple Sclerosis and Vaccination.  BMJ, 1967; 2/546:210-3 
  40. Nicholson, K.G.;  Immunisation against influenza among people aged over 65 living at home in Leicestershire during winter 1991-2.  BMJ, 1993; 306: 974-6
  41. Nicholson, K.G.; et al.;  Influenza.  Lancet, 2003; 362: 1733-45
  42. Ouellette, J.J.; Reed, C.E.;  Increased response of asthmatic subjects to methacholine after influenza vaccine.  J Allerg, 1965; 36:558-63
  43. Palache, A.M.;  Influenza subunit vaccine - ten years experience.  Eur J Clin Res, 1992; 3:117-38 
  44. Perkins, F.R.T.;  Control of influenza by vaccine, with special reference to experience in the United Kingdom.  Bull WHO, 1969; 41:554-5
  45. Poole, P.; Chacko, E.E.; Wood-Baker, R.; et al.;  Influenza vaccine for patients with chronic obstructive pulmonary disease.  Cochrane Database of Systematic Reviews 2006, Issue 1. Art. No.: CD002733. DOI: 10.1002/14651858.CD002733.pub2
  46. Prince, A.M.;  Our last vaccine?  Science, 1977 (25 March); 195/4284
  47. Rabin, J.;  Hazard of influenza vaccine in neurologic patients.  JAMA, 1973; 225/1:63-4
  48. Rosenberg, G.A.;  Meningoencephalitis following an influenza vaccination.  NEJM, 1970; 283/22:1209 
  49. Saadoun, D.; Cacoub, P.; Mahoux, D.; et al.;  Vascularites postvaccinales: à propos de trois observations. (Vasculitis complicating vaccination: a report of three cases).  Rev Méd Int, 2001; 22/2:172-6
  50. Schonberger, L.B.; Bregman, D.J.; Sullivan-Bolyai, J.Z.; et al.;  Guillain-Barré syndrome following vaccination in the national influenza immunization program, United States, 1976-1977.  Am J Epid, 1979; 110/2:105-23
  51. Schonberger, L.B.; Hurwitz, E.S.; Katona, P.; et al.;  Guillain-Barré syndrome: its epidemiology and associations with influenza vaccination.  Ann Neurol 1981; 9/suppl: 31-8
  52. Schumm, F.;  Neurologische Komplikationen nach Grippe-Impfung. Fragen aus der Praxis.  Dtsch Med Wschr, 1976; 101/18:720-1
  53. Shann, F.;  Pneumococcus and Influenza.  Lancet, 1990; 335, 14/4: 898-901
  54. Sibley, W.A.; Foley, J.M.;  Infection and Immunization in Multiple Sclerosis.  Ann NY Ac Sci, 1965; A122:457-68 
  55. Sibley, W.A.; Bamford, C.R.; Laguna, J.F.;  Influenza vaccination in patients with multiple sclerosis.  JAMA, 1976; 236:1965-6
  56. Sigurdsson, V.; et al.;  Vaccinatie tegen influenza bij patiënten met (recidiverende) staphylokokken infecties: overbodig.  Ned tijdschr Gen, 1995; 139/45:2316-7
  57. Smith, R.E.; Wolnisty, C.;  Allergic reactions to tetanus, diphtheria, influenza and poliomyelitis immunisation.  Ann Allerg, 1962; 20:809-13
  58. Smith, J.W.G.;  Vaccination in the control of influenza.  Interim report to the Director of the Public Health Laboratory Service on a collaborative study with the Post Office.  Lancet, 1974; II; 330-3
  59. Stöhr, M.; Mayer, K.;  Neurologische Erkrankungen nach Grippeschutzimpfung.  Med Welt, 1976; 27/19:912-4
  60. Stuart-Harris,C.H.;  Influenza and its Complications--II.  BMJ, 1966; i: 217-8 
  61. Untracht, S.; Ratner, B.;  Allergy to viral rickettsial vaccines.  Ann Allergy, 1950; 5:699-707
  62. Thomas, R.E.; Jefferson, T.; Lasserson, T.J.;  Influenza vaccination for healthcare workers who work with the elderly.  Cochrane Database of Systematic Reviews 2010, Issue 2. Art. No.: CD005187. DOI: 10.1002/14651858.CD005187.pub3
  63. Waldman, R.H.; et al.;  Immunization against influenza: prevention of illness in man by aerosolized inactivated vaccine.  JAMA, 1969; 207:520-4
  64. Warren, W.R.;  Encephalopathy due to Influenza Vaccine.  Arch Intern Med, 1956; 97:803-5
  65. Warshaw, L.J.;  Delayed allergic reactions to influenza vaccine.  New York J Med, 1961; 61:3907
  66. Weintraub, M.I.;  Paralytic brachial neuritis after swine flu vaccination.  Arch Neurol, 1977; 34/8:518
  67. Wells, C.E.C.;  A neurological note on vaccination against Influenza.  BMJ, 1971; 3:755-6
  68. Whiteley, A.M.; et al; A pathological survey of 41 cases of acute intrinsic spinal cord disease.  J Neurol Sci, 1979; 42:229-42
  69. Woods, C.A.; Ellison, G.W.;  Encephalopathy following Influenza Immunization.  J Pediat, 1964; 65/5:745-8
  70. Wright, A.E.;  On the changes effected by antityphoid inoculation in the bactericidal power of the blood; with remarks on the probable significance of these changes.  Lancet, 1901; 158/4072: 715-23
  71. Yahr, M.D.; Lobo-Antunes, J.;  Relapsing Encephalomyelitis Following the Use of Influenza Vaccine.  Arch Neurol, 1972; 27/2:182-3
  72. Zajac, R.A.; Evans, M.E.; Galbraith, M.; et al.;  Comparison of 1984-1985 influenza vaccine efficacy in previously immunized and previously unimmunized populations.  Abstract no. 969; October, 1985, Minneapolis, Minnesota