Polio

DE ZIEKTE

Poliomyelitis is een virale aandoening. Flexner en Lewis ontdekten het virus in 1909. Een van de problemen in die tijd was dat het niet mogelijk was experimenten te doen met iets anders dan apen of chimpansees. Tot Enders, Weller en Robins in 1949 ontdekten hoe je het virus kon kweken in celculturen, een ontdekking die hen in 1954 de Nobelprijs voor fysiologie en geneeskunde opleverde.

De ziekte komt vooral voor tijdens de zomermaanden. Ze wordt verspreid via speekseldruppeltjes. Dat leidt dan tot infectie van het maag-darmkanaal, wat op zich geen probleem is. Het virus kan echter bij sommige mensen doordringen tot het zenuwstelsel, en dat kan leiden tot de gevreesde complicaties. De meerderheid (90%) van geïnfecteerde mensen ontwikkelt helemaal geen symptomen; slechts 1% krijgt verlammingsverschijnselen. Die komen voor in verschillende graden, en zijn al dan niet blijvend.

De diagnose kan men niet alleen stellen op het klinisch beeld van de patiënt; andere virussen kunnen immers een identiek ziektebeeld veroorzaken, zoals het coxsackievirus. Er is dus een bijkomend onderzoek van de antistoffen in het bloed nodig.

De prognose hangt af van de ernst van het ziektebeeld, en varieert tussen volledig herstel tot levenslange verlamming of overlijden.

HET VACCIN

De eerste experimenten met het poliovirus werden ondernomen in 1908 door Landsteiner en Popper. Zij ontdekten dat de ziekte kunstmatig kon overgebracht worden op apen. Ze kwamen er ook achter dat apen die een aanval van polio overleefd hadden meer weerstand hadden tegen een volgende aanval. Zo kwamen ze op het idee dat serum van iemand die aan het herstellen was van de ziekte een ander zou kunnen beschermen tegen polio, of hem zou kunnen helpen bij zijn herstel. Reeds in 1911 voerde Netter een serum in met deze bedoeling. In het begin was het enthousiasme groot, maar al gauw werd deze praktijk naar de vergeethoek verwezen omdat het nut ervan niet aan te tonen was. In 1917 produceerde Petit een ander serum van een paard door in te enten met geïnfecteerd zenuwweefsel van een aap. In 1932 deed hij nog een poging met serum van een chimpansee. Geen van deze sera deed echter wat er van verwacht werd, en de hele procedure werd afgevoerd (26).

In het begin van de 50-er jaren probeerde men dan wat nieuws: het gebruik van gammaglobulines. Deze antistoffen werden preventief gegeven aan mensen die vermoedelijk in kontakt zouden komen met de ziekte. In 1949 had Bodian immers ondervonden dat de methode zeer goed werkte bij apen, bij alle drie vormen van het virus (46). Maar het effect bij mensen werd tegengesproken door proeven in de USA bij 54 772 personen (1952). Bovendien werd tijdens deze experimenten voor het eerst het fenomeen van provocatie-polio vastgesteld (zie verder). Desondanks werden er het jaar daarop (1953) nog eens 235000 kinderen ingespoten met gammaglobulines, opnieuw zonder beduidend effect op het voorkomen of de ernst van de aandoening. De Lancet publiceert het verhaal van een technieker die polio kreeg nadat hij zich gekwetst had aan een splinter van de wervelkolom van een ingeënte aap, en dat ondanks toediening van gammaglobulines (28). Tijdens een opstoot in Mannitoba, Canada, 1953, ontwikkelden 40 op 6000 behandelde personen polio (29). In 1954 schreef Dr. Graber dat er geen enkel bewijs was dat gammaglobulines het verloop van een epidemie zouden wijzigen of gevallen zouden voorkomen, en dat ten gevolge van dit falen het product in 1954 in Illinois niet verkrijgbaar zou zijn (45).

Het vermenigvuldigen van het poliovirus liet Cox, Sabin en Koprowsky toe nieuwe stammen te ontwikkelen waarvan zij meenden dat ze minder of zelfs helemaal niet meer ziekmakend zouden zijn. Maar zij moesten hun virussen kweken in het hersenweefsel van mensen, apen of knaagdieren. Duizenden apen werden gedood voor het kweken en testen van het virus. Vliegtuigen vol werden aangevlogen vanuit India over London naar de USA, om dan nog eens duizend kilometer af te leggen op een vrachtwagen naar hun uiteindelijke bestemming. Velen van hen kwamen niet levend aan.

Vanaf het begin realiseerde men zich echter dat een vaccin dat bereid werd van zulke celculturen het risico zou inhouden van allergische reacties op de hersenen van de gevaccineerde, reacties die best gevaarlijker konden zijn dan de ziekte waartegen het vaccin bestemd was (48).

Dr. Salk van Pitsburg isoleerde we 74 verschillende soorten poliovirus, waaruit er drie gekozen werden om een vaccin tegen te maken.

Er werden twee verschillende soorten vaccin ontworpen. Dat van Salk werd op de markt gebracht in 1955. Het is een vaccin op basis van gedode of geïnactiveerde virussen: het IPV. Later, in 1961, kwam het Sabin vaccin op de markt dat levende, afgezwakte virussen bevat en langs de mond wordt ingenomen: het OPV. De discussie over welk vaccin nu het beste is duurt voort tot op heden, waarbij de beide heren van mekaars uitvinding brandhout maakten.

EFFICIËNTIE VAN HET VACCIN

Er zijn natuurlijk zeer positieve geluiden op te vangen over beide vaccins.

Het Salk vaccin wordt hevig verdedigd door Beale, die verklaart dat het vaccin tegenwoordig gewoon perfect is (1). Hij beweert ook dat het Salk vaccin bijdraagt tot groepsimmuniteit.

Ook over het Salk-vaccin pretendeert men dat de werkzaamheid 100% is, zelfs vanaf de eerste dosis (1). Het OPV wekt ook IgA-antistoffen op, in tegenstelling tot het IPV, en zou daardoor bijdragen tot groepsimmuniteit.

Maar er zijn ook heel wat negatieve geluiden te horen over beide vaccins.

Het IPV produceert bijvoorbeeld geen IgA-antistoffen, die voor de bescherming van de slijmvliezen moeten zorgen. Het voorkomt dus niet de besmetting van het maag-darmkanaal.

Andere factoren dan vaccinatie speelden een cruciale rol bij de achteruitgang van polio. “Het succes van het Salk vaccin, dat ettelijke jaren voor het Sabin vaccin in gebruik werd genomen, berust hoofdzakelijk op de neerwaartse trend van de ziekte in de periode dat het op de markt kwam. In ons land kwam er een meldingsplicht voor polio vanaf 1920. Op dat moment kwam de ziekte voor bij 2.196 personen op 100.000. In 1952 bereikte de ziekte haar piek met 37.009 gevallen per 100.000. Twee jaar later, en één jaar voor de in gebruik name van het Salk vaccin, was dit cijfer reeds met 35.7% gedaald tot 23.768/100.000. Uit deze cijfers blijkt dat de ziekte reeds op natuurlijke basis aan het afnemen was.” (2) “Professor B. Greenberg maakt de volgende bemerkingen bij de statistische verwerking van de efficiëntie van het Salk vaccin: “...mijn eerste en enige zorg is de bedrieglijke manier waarop deze gegevens vanuit statistisch oogpunt gehanteerd zijn... Een wetenschappelijke analyse van de gegevens en de manier waarop ze werden gemanipuleerd zal aan het licht brengen dat de echte werkzaamheid van het Salk vaccin onbekend zijn en erg overschat wordt.” (2)

In 1988 brak er een epidemie uit van polio in Israël, met 15 gevallen. In die streek was het verbeterde IPV vaccin in gebruik sedert 1982 (11).

Het niveau van antistoffen daalde met een factor 10 tot 100 voor alle virustypes binnen de 2 jaar na vaccinatie (16).

Het Sabin-vaccin krijgt ook kritiek. “ De efficiëntie van het OPV werd over het algemeen vastgesteld door het bepalen van de antistofvorming in het bloed, een methode die geen aanwijzing geeft over de mate van darmimmuniteit. “ (5)

In ontwikkelingslanden is het OPV minder effectief dan in ontwikkelde landen (3). In Brazilië bijvoorbeeld varieert de seroconversie (het omslaan van géén antistoffen naar voldoende antistoffen voor bescherming) van 77% (type I) en 98% (type II), in Mali tussen 49 en 77%, en in India tussen 69 en 90% .

De darmimmuniteit die aanwezig is na vaccinatie duurt slechts enkele maanden. Daarna is herbesmetting dus mogelijk. In een Japanse studie bleken 75% van de personen die 10 jaar tevoren gevaccineerd waren vatbaar te zijn voor herinfectie (4). De zogenaamde groepsimmuniteit die dit vaccin zou opwekken moet met een korrel zout genomen worden, zoals blijkt uit een epidemie in Taiwan (1982) waaruit geen enkel spoor van kuddeïmmuniteit bleek, ook al was de bevolking gevaccineerd. De auteurs van een studie die dit gebeuren onder de loupe nam concludeerden: “Deze opstoot toont aan dat een belangrijke epidemie kan opduiken in streken met hoge algemene vaccinatiecijfers.” (5)

Tijdens de epidemie in Israël, in 1988, hadden 9 van de 15 slachtoffers minstens drie dosissen OPV gekregen, en twee waren met IPV gevaccineerd, zodat er slechts 4 niet-gevaccineerden bij de slachtoffers waren (11). In een andere streek van Israël, de Gaza, faalde het vaccin babies afdoende te beschermen tegen polio (12). Minder dan twee derden van Maya’s, kinderen uit Gambia en Brazilië produceerden antistoffen tegen het type 3 virus na vaccinatie (13,14).

Drie op vijf US burgers die op reis polio opliepen waren gevaccineerd (15).

Antistoffen daalden 10 tot 100 maal binnen de 2 jaar na vaccinatie (16).

In Thailand gaf het vaccin geen bescherming aan een beduidend deel van de gevaccineerden, en bij hen die voldoende antistoffen ontwikkelden zakten de antistoffen binnen de 6 maanden na inenting (17).

In Glasgow, U.K., werden de slachtoffers van een hepatitis A epidemie eveneens getest op polio antistoffen. Slechts een derde van de groep had een aanvaardbaar niveau van antistoffen tegen het type 3 virus (18).

 

VEILIGHEID VAN HET VACCIN

Sedert het Cutter-incident met het Salk-vaccin werden volgens Beale geen dramatische neveneffecten meer beschreven (1). Maar toch kunnen we voor dit vaccin beslist spreken over een ‘valse start’. Reeds enkele weken na het lanceren van het vaccin bleken ettelijke gevaccineerden polio to hebben opgelopen. In de daaropvolgende weken en maanden liep het aantal op tot 192. In één van de laboratoria, van de firma Cutter in California, bleek het virus niet echt gedood te zijn tijdens de bereiding van het vaccin. Daarom staat deze catastrofe in de annalen bekend als het “Cutter-incident”.

Blijkbaar stimuleert het Salk-vaccin allergische reacties op het Sabin-vaccin indien dit later wordt toegediend (1). Na vele jaren gebruik ontdekte men dat het vaccin bevuild was met het SV40 virus waarvan men uit dierexperimenten weet dat het kankerverwekkend is.

Sommige auteurs proberen ons gerust te stellen dat het Sabin vaccin geen problemen meer veroorzaakt indien een eerste toediening veilig is verlopen (1). Maar het vaccin heeft een behoorlijk arsenaal van nevenwerkingen. Zo werd koorts tot 39,6°C vastgesteld binnen de 24 uur na toediening (6), of beender- en gewrichtspijn (1), of overgeven.

Allergische reacties kunnen optreden onmiddellijk na vaccinatie, en dit vaker in kinderen die tevoren een IPV gehad hebben (1).

Er kan een aanval van reumatoïde artritis optreden (1).

Stuipen kunnen zich voordoen na OPV. De Duitse literatuur vermeld hypsarithmie 18 dagen na de tweede dosis (type 1-3) bij een baby van 4,5 maanden.

Polio verlamming kan optreden na vaccinatie. Een belangrijk onderzoek hierover werd ondernomen door de WGO (7). In de jaren 1970 tot 1974 werd een studie verricht in acht verschillende landen om blijvende verlamming na vaccinatie te onderzoeken. In totaal werden 360 gevallen onderzocht. Slechts 21% daarvan kwamen voor bij de gevaccineerden zelf, en 51% bij de directe omgeving van gevaccineerden, vooral de ouders. Men trof hoofdzakelijk het type 3 virus aan, en de meeste slachtoffers waren minder dan 5 jaar oud. Bij de contacten kwam het type 2 virus vaker voor. Ook de JAMA onderlijnt het belang van het orale vaccin bij de verspreiding van de ziekte (8). 76 % van alle polio gevallen in de US tussen 1973 en 1984 hadden verband met het vaccin, waarbij vooral de eerste dosis voor problemen zorgde. 1/520.000 dosissen zorgt voor een blijvende verlamming. Daar moet men natuurlijk nog het cijfer van de contacten toevoegen.

Het feit dat gevaccineerden het virus verspreiden door druppelinfectie wordt meestal vermeld als een voordeel van het orale vaccin. Maar men moet beseffen dat mensen met een verzwakt afweersysteem even goed besmet worden als anderen, met alle gevolgen vandien. Mensen met aangeboren immuundefecten, mensen onder behandeling met cortisone of kankerbehandeling, AIDS-patiënten ... lopen allemaal gevaar indien zij met het virus in kontakt komen. 10% van de slachtoffers uit de studie van Nkowane waren in deze situatie (8).

Guillain-Barré verlamming is nog een verwikkeling van het vaccin. In China vertienvoudigde hun aantal sedert de invoering van het vaccin in 1971 (24). In Brazilië werden 38 gevallen van GB geregistreerd na vaccinatie, en bij allemaal werd het virus uit het vaccin teruggevonden (25). Zo ziet men hoe een ziekte door vaccinatie gewoon vervangen wordt door een andere, in plaats van het probleem op te lossen.

Tussen 1961 tot (minstens) 2002 was het poliovaccin besmet met het kankerverwekkende SV40 virus.

 

TERUGKEER NAAR VIRULENTIE

Lang voor het poliovaccin ontwikkeld werd waren er waarschuwende stemmen over de mogelijkheid dat een levend afgezwakt virus zou kunnen terugkeren naar zijn virulente (ziekmakende) toestand. Teeds in 1926 waarschuwde professor James Macintosh van de universiteit van Londen dat niemand echt wist hoe lang een afgezwakt virus in ‘slapende’ toestand zou blijven voor het terugkeerde naar zijn vroegere virulentie (27p6).

Niemand minder dan dr. Sabin zelf stelde vast dat wat, nadat 26 vrijwilligers tussen 26 en 30 jaar oud een enkele stam van het poliovirus toegediend kregen “een deel van het virus in het lichaam van de betroffenen veranderde in een min of meer virulente vorm” (47).

Alle drie de gebruikte virusstammen hebben de neiging terug te keren naar de virulente (dus actieve, ziekte verwekkende) vorm na toediening. Bij het type III gebeurt dit zelf over het algemeen binnen de eerste uren na vaccinatie (1).

Bovendien treedt er recombinatie (vermenging) op tussen de verschillende stammen (9).

Net als bij het Salk vaccin is vastgesteld dat het Sabin vaccin gesmet was met het kankerverwekkende SV40 virus.

 

PROVOCATIE POLIO

Ontbreken van vaccinatie wordt zonder uitzondering aangehaald als de voornaamste, zoniet de enige reden voor vatbaarheid voor polio. Dit is niet het geval. Andere factoren blijken een belangrijke rol te spelen.

Tientallen jaren geleden is reeds vastgesteld dat polio niet alleen voorkomt na natuurlijke infectie maar dat het risico op de ziekte en de ernst ervan soms afhangen van verschillende menselijke provocaties.

Polio kan uitgelokt worden door vaccinaties. De eerste vermelding hiervan die ik heb kunnen opsporen was een artikel uit 1909 van de hand van Hochhaus (31), die een toename van polio vastgesteld had na pokkenvaccinatie.

Blijkbaar waren andere vaccins eveneens in staat tot hetzelfde effect. Diphterievaccinatie was één van hen (36). Kinkhoest vaccinatie had hetzelfde effect (37).

Een van de eerste observatie was de toename van polio in een controlegroep tijdens het testen van gammaglobulines (antistoffen) in 1952. Deze controlegroep kreeg gelatine ingespoten in plaats van van gammaglobulines. Een onverwacht groot deel van het ontwikkelden polio in het ingespoten lidmaat. Dit bracht Hammon tot de overtuiging dat “het inspuiten van gelatine, zoals van vele andere stoffen, zou kunnen leiden tot poliomyelitis in bepaalde gevallen...” (29).

In de vroege jaren ‘50 meldden heel wat wetenschappers het voorkomen van polio na inenting tegen kinkhoest, diphterie, tetanus en pokken.

Tonsilectomie (het wegnemen van de amandelen) blijkt een risicofactor te zijn. Francis et al schreven hierover in 1942 (32), Southcolt in 1952 (33).

Andere trauma’s doen eveneens het risico op polio toenemen (34,35).

Sommige medicatie kan een aanval van de ziekte uitlokken, zoals cortisone (38) of penicilline (39).

Een aantal scheikundige prikkels vermeerderen de vatbaarheid voor polio: guanine, bismut, arsphenamine (40).

Spieractiviteit in de periode voor verlamming optreedt maakt de ziekte erger; de verlamming treft hoofdzakelijk de ledematen die het meest actief gebruikt geweest zijn (41,42,43).

Zwangerschap is vermeld geworden als een voorbeschikkende factor voor poliomyelitis (44).

 

PARALYTISCHE POLIO NA POLIO-VACCINATIE (VAPP)

Blijkbaar kan polio-vaccinatie zelf de ziekte uitlokken. Dit is zowel het geval voor gedode (IPV) als voor levende (OPV) vaccins. In het westen is dit trouwens de enige vorm van polio die nog voorkomt.

Deze complicatie is even oud als het poliovaccin zelf. Kort na de invoering van het Salk vaccin in 1955 stelden onderzoekers tot hun verbazing vast dat polio niet alleen optrad bij een aantal gevaccineerden (zoals min of meer verwacht) maar eveneens bij de kontaktpersonen van de gevaccineerden. Dit was merkwaardig omdat het vaccin verondersteld werd uitsluitend dode virussen te bevatten die dus onmogelijk de ziekte zouden kunnen verspreiden bij kontaktpersonen. Maar blijkbaar was het vaccin niet even dood als de bedoeling geweest was. Bij nader onderzoek bleken een aantal virussen ontsnapt te zijn aan het ontgiftingsproces met formaldehyde en gezond en wel in het vaccin terechtgekomen te zijn. Het fenomeen van de vaccinatie-geïnduceerde polio bleef bestaan en werd in de US en in de UK zelfs de enige bron van polio, zoals beschreven in recente medische literatuur (20). Volgens de WGO is het risico in die landen zowat 1 op 1,4 à 2,5 miljoen. Dit zijn zeer voorzichtige ramingen, en sommige landen geven veel hogere cijfers. In Duitsland wordt het risico bijvoorbeeld geschat op 1 op 200 000 dosissen (21). Deze cijfers gelden voor gezonde personen; bij mensen met immuniteitsstoornissen ligt het risico 10 000 keer hoger (22). Het ligt ook 5 tot 17 keer hoger in landen waar veel inspuitingen toegediend worden, zoals in de meeste geïndustrialiseerde landen. Dit kan dus leiden tot provocatie-polio (23) (zie hoger).

 

MANIPULATIE VAN GEGEVENS

Cijfers over de frequentie van polio zijn vervormd geweest door veranderingen in de definitie van de ziekte. Voor 1955 werd elk geval van verlamming waar een poliovirus kon aangetoond worden beschouwd als paralytische polio. Sinds 1955 worden enkel nog die gevallen in rekening genomen die klinisch en epidemiologisch compatibel zijn met de ziekte, en bovendien een neurologische uitval hebben van minimum 60 dagen na het begin van de symptomen. Deze verenging van de definitie leidde automatisch tot een statistisch lager aantal gevallen, zelfs al bleef het feitelijke aantal onveranderd. Deze vermindering van de statistieken werd zonder twijfel toegeschreven aan de vaccinatiecampagnes die intussen op gang gekomen waren, en niet, zoals het hoorde, aan een statistisch gezichtsbedrog dat identiek zou geweest zijn zelfs al was er niet één dosis van het vaccin toegediend geweest. In de tabellen die men ons voorhoudt worden cijfers van voor en na de wijziging met elkaar vergeleken, hoewel ze op verschillende groepen slaan. Uit de tweede groep is voorbijgaande polio immers geweerd, uit de eerste niet.

Een andere manipulatie is het verwijderen van gevallen die vroeger aanvaard waren als zijnde veroorzaakt door het vaccin (8).

“Een van de intimidatietechnieken van de American Medical Association, toegepast op televisiekijkers, radioluisteraars en krantenlezers, was van hen te vertellen dat de niet-gevaccineerde kinderen veel vaker het slachtoffer werden van de ziekte dan de gevaccineerde. Dit idee was gebaseerd op statistieken die de United States Public Health Service verzameld had. De volgende verklaring van dr. Greenberg toont de onjuistheid van deze verklaringen aan: ‘Eerst en vooral bestond het cijfer voor de niet-gevaccineerde 5 tot 9-jarigen zoals gebruikt door Volksgezondheid uit het totaal aantal uit de volkstelling van 1950 minus het aantal gevaccineerde kinderen. In 1955 echter werd het aantal 5 tot 9-jarigen 101 000 hoger geschat dan in 1950. Volksgezondheid heeft hiermee geen rekening gehouden. Door het weglaten van 101 000 kinderen uit de niet-gevaccineerde groep slonk deze van pakweg 337 000 naar 236 000 kinderen. Daardoor werd het aantal gevallen van polio in deze groep overschat met 40%.’.

... Een andere component van dit spelletje cijferen vinden we terug als we kijken naar de definitie van het woord ‘epidemie’. Epidemie is een krachtig woord. Het slaat op een ziekte die bij een bepaalde bevolking gewoed heeft en tot ziekte, leed en dood geleid heeft bij de getroffenen. Voor 1955 sprak men over een polio epidemie indien 20 of meer gevallen voorkwamen per 100 000 inwoners. Samen met de invoering van het Salk-vaccin werd deze definitie echter gewijzigd tot het voorkomen van 35 gevallen van polio per 100 000 binnen een tijdsbestek van één jaar.” (2)

Kim-Farley en collega’s beschreven een polio-epidemie in Taiwan in 1982. Ook zij hielden er wel erg bijzondere technieken op na. Ten eerste “werden als polio beschouwd de gevallen die door de dokter als dusdanig werden gediagnostiseerd”. Geen spoor meer van de strenge definities van de ziekte zoals gebruikelijk in de westerse wetenschappelijke publicaties. Als de dokter meende dat iemand polio had, dan was dat zo. Nog verbazender was echter dat individuen die gevaccineerd waren binnen de 28 dagen voor het uitbreken van de ziekte bij de niet-gevaccineerden gerekend werden, “want de kans bestond dat ze het vaccin pas na de infectie gekregen hadden”. Deze manipulatie is niet alleen een vervalsing van de verhouding tussen gevaccineerden en niet-gevaccineerden, ze verbergt bovendien al de gevallen van polio uitgelokt door het vaccin, en presenteert hen vervolgens als niet-gevaccineerde gevallen van polio!

 

ALTERNATIEVEN VOOR VACCINATIE

Bevoorrading met zuiver drinkwater is een van de maatregelen die beschermen tegen polio. Kim-Farley ontdekte dat kinderen die water dronken dat niet uit gecontroleerde bronnen kwam 5 maal meer kans liepen op polio dan andersom. Dat risico verdubbelde nog indien het gezin een toilet deelde met minstens één ander gezin. Het risico lag ook hoger indien de vader werkloos was, of laaggeschoolde arbeid verrichtte, of een laag niveau van opleiding had, of wanneer er geen gemeentelijke afvalophaling gebeurde (5). Deze bevindingen illustreren dat elementaire sanitaire en sociale maatregelen onze grootste bekommernis moeten wegdragen in de strijd tegen polio.

 

BIBLIOGRAFIE

  1. BEALE, A.J.; Polio vaccines: time for a change in immunisation policy? Lancet, 1990; 335: 839-42
  2. RIKER, J.R. Polio Vaccine, Miracle or Myth? The Chiropractic Journal 1989; August : 34 and 39
  3. SALK, FE; DRUCKER, J. Vaccines. WB Saunders, Philadelphia 1988; 158-81
  4. NISHIO, O; e.a. The trend of immunity with live polio virus vaccine and the effect of revaccination: follow up of vaccinees for ten years. J Biol Stand 1984; 12:1-10
  5. KIM-FARLEY, R.J.; RUTHERFORD, G.; LICHFIELD, e.a. Outbreak of paralytic poliomyelitis in Taiwan. Lancet 1984; ii: 1322-4
  6. STICKL, H. Allergische Reaktionen nach Polioschluckimpfung. Päd. Praxis 37; 420
  7. GREENING, C.L.; e.a.; The relation between acute persisting spinal paralysis and poliomyelitis vaccine (oral) : resuls of a WHO enquiry. Bull WHO 1976; 53 : 319
  8. NKOWANE, B.M.; WASSILAK, S.C.F.; ORENSTEIN, W.A.; e.a. Vaccine associated paralytic poliomyelitis. United States: 1973 through 1984. JAMA 1987; 257: 1335-40
  9. MINOR, P.D.; e.a. Antigenic and molecular evolution of the vaccine strain of type 3 polio virus during the period of excretion by a primary vaccinee. J Gen Virol 1986; 67: 693-706
  10. COULTER, H.L.; FISHER, B.L. DPT, a shot in the dark. Harcourt Brace Jovanovich
  11. Slater, P.E.; e.a.; Poliomyelitis outbreak in Israel in 1988: a report with two commentaries. Lancet, 1990; 335:1192-98
  12. Is J Med Science, 1995; 31:49-53
  13. (2392) J infect Dis, 1997; 175:545-53
  14. (2393) J Infect Dis, 1995; 171:1097-106
  15. (2394) Clin Infect Dis, 1992; 568-79
  16. (2398) J Infect Dis, 1993; 168:452-4
  17. (2395) Scand J Infect Dis, 1994; 26:731-8
  18. (2396) BMJ, 1992; 304:52
  19. (2399) Am J Publ Health, 1996; 86/5:734-7
  20. (2400) Bull WHO, 1995; 73:33-40
  21. (2401) Lancet, 1984; Dec. 15
  22. Cloudwell, C.; McTaggert, L.; Travel vaccines. 2: A journey into the unknown. WDDTY, 1997; 8/3:2
  23. (2003) Strebel, P.; et al Intramuscular injections within 30 days of immunization with oral poliovirus vaccine - a risk factor for vaccine-associated paralytic poliomyelitis. NEJM, 1995; 332/8:500-6
  24. (2402) Lancet, 1994; 344:1026
  25. Rev Do Instit De Med Trop De Sao Paulo, 1996; 38:55-8
  26. JAMA, 1934; July 28:262
  27. Beddow Bayly, M.; The Story of the Salk Anti-Poliomyelitis Vaccine. National Anti-vivisection Society, 1956
  28. Lancet, 1955; April 2:702
  29. The Times, November 16, 1953
  30. Hammon,; Lancet, 1954; March 13:558
  31. Hochhaus, D.; Münch med Wschr, 1909; 56:2353
  32. Francis, T. Jr.; Krill, C.E.; Toomey, J.A.; Mack, W.N.; JAMA, 1942; 119:1392
  33. Southcott, R.V.; Med J Austr, 1952; ii:281
  34. Le Fèvre de Arric, M.; Millet, M.; Bull Acad Méd Belg., 1929; 9:701
  35. German, W.J.; Trask, J.D.; J exp Med, 1938; 68:125
  36. McClosky, B.P.; The relation of prophylactic inoculations to the onset of poliomyelitis. Lancet, April 18, 1950; 659-63
  37. Dean, D.J.; Cohen, S.M.; Dalldorf, G.; Proc Soc exp Biol, N.Y., 1951; 77:834
  38. Schwarzman, G.; Proc soc exp Biol, 1950; 75:835
  39. Banks, H.S.; Lancet,1954; i:464
  40. Horstmann, D.,1952. In: Fisbein, M. Poliomyelitis. London.
  41. Wickman, I.; Acute poliomyelitis (Heine-Medin's Disease). 1919, New York.
  42. Levinson, S.O.; Milzer, A.; Lewin, P.; Amer J Hyg, 1945; 42:204
  43. Russell, W.R.; BMJ, 1947; ii, 1023
  44. Aycock, W.L.; NEJM, 1941; 225:405
  45. Graber; Poliomyelitis Current Literature, August 1954. In: Medical Officer, 1954; November 19:260
  46. Bodian; Proc Soc exp Biol (NY), 1949; 72:259
  47. Time, May 23, 1955
  48. Time, March 29, 1954