SV40

KORT

Op 7 november 2002 werd op het derde internationale congres van het NVIC in Washington over veiligheid van vaccins bekend gemaakt dat het orale poliovaccin dat in de USA gebruikt werd nog steeds besmet is met het SV40 virus.

Het bericht sloeg in als een bom.  Het was immers bekend dat het virus tussen 1953 en 1963 alle poliovaccins, zowel het orale Sabin als het ingespoten Salk vaccin, besmet heeft.  Dat heeft voor heel wat deining gezorgd aangezien bewezen werd dat het virus kankerverwekkend was.  Het veroorzaakte onder andere hersenkankers, longvlieskanker (mesothelioma) en beenderkanker (meduloblastoma).

SV40 is een apenvirus, aanwezig in de niercellen van apen die gebruikt zijn om onder andere het poliovirus te kweken en later in vaccins te verwerken.  Bij het opvissen van de poliovirussen is het beruchte apenvirus mee in het vaccin geraakt, zonder dat men daar aanvankelijk erg in had.

Algemeen werd aangenomen dat na 1963 het poliovaccin gezuiverd was van het virus.  Toch werd de vrees niet helemaal weggenomen omdat bleek dat kinderen geboren na 1963 ook nog besmet waren met  het virus.  Tot nog toe werd aangenomen dat dit gebeurd was door overdracht vanuit de ouders.  Nu wordt op dit feit een heel ander licht geworpen.

Stanley Kops is jurist en specialist inzake het poliovaccin en SV40-besmetting, met een palmares van verschillende publicaties over dit thema in gereputeerde tijdschriften, en spreker op een conferentie van het Institute of Medicine midden 2002.  Hij verklaarde in november 2002 echter het bewijs gevonden te hebben dat het orale poliovaccin in de USA altijd besmet geweest is met het virus, tot vandaag.  Bovendien beweert hij dat de officieëlen die verantwoordelijk waren voor de veiligheid van het vaccin altijd op de hoogte geweest zijn van dit feit.  Er zouden pogingen geweest zijn om het virus te inactiveren, zonder het als dusdanig te verwijderen uit het vaccin.

Deze bevinding doet uiteraard vele vragen rijzen.

1° Hoe zit het met vaccins die jarenlang op de markt blijven en waarvan blijkt dat ze onterecht veilig verklaard zijn?

2° Indien de controle-instanties hiervan op de hoogte waren, waarom is het vaccin dan niet meteen uit de handel genomen?  Wie en wat werd hier beschermd?

3° Zelfs als dit gevaarlijke virus nu wel verwijderd wordt, of een ander vaccin gebruikt wordt zoals in België, welke garanties hebben we dan voor de veiligheid van die andere vaccins?


POLIOVACCIN, SV40 EN KANKER

Tussen 1955 en 1963 werden meer dan 40 miljoen Amerikanen gevaccineerd met het dode Salk vaccin (IPV), besmet met SV40.  

Tussen 1961 en 1978 controleerde Lederle, een vooraanstaande producent van vaccins, tussen 70 en 80% van de markt van het orale polio vaccin met een product onder de naam van Orimune.  Tussen 1978 en 2000, het jaar dat het orale vaccin in de USA verlaten werd, beheerste de firma 100% van de markt.  In al die jaren werden volgens de firma zelf 650 miljoen dosissen van het vaccin verkocht.  In totaal zijn op wereldvlak meer dan 100 miljoen mensen gevaccineerd met SV40-besmet poliovaccin!

Voor wat het orale poliovaccin betreft had de Amerikaanse overheid de verwijdering van het virus vereist voor één enkel vaccin op de markt mocht gebracht worden.  Men was dus vrij gerust wat de verspreiding van het virus betreft via dit vaccin.  Toch werden SV40-kankers ontdekt bij volwassenen en kinderen die nooit het Salk vaccin toegediend gekregen hadden.

Tussen 1955 en 1962 werd het Salk vaccin bereid uit poliovirussen gekweekt op niercellen van rhesusapen en daarna gedood met formaldehyde.  Een deel van de SV40-virussen weerstonden echter deze behandeling.

In 1961 wist de US public health service dat zowel Salk als Sabin vaccins besmet waren met het virus.  Ze hadden een geheime vergadering met een aantal topadviseurs.  Besloten werd de rhesusapen te vervangen door de cercophitecus apen (Afrikaanse groene aap) omdat die het virus niet zouden dragen.  De besmette stocks zouden geneutraliseerd worden met antiserum.  Op geen enkel moment echter werden de besmette vaccins van de markt gehaald; nooit werd de bevolking geïnformeerd dat het poliovaccin besmet was met SV40 virus, noch dat dit virus kanker veroorzaakte bij baby hamsters.  Later verklaarde Hilleman dat de overheid bang was dat dergelijke informatie paniek zou doen ontstaan en het vaccinatieprogramma in gevaar zou brengen.  Maar op 26 juli 1961 (p. 33) maakte de New York Times melding van het feit dat de productie van vaccins stopgezet was door Merck en andere firma’s tot een apenvirus verwijderd was.  Volksgezondheid bezwoer het publiek dat het virus onschuldig was.  In 1962 werd Fraumeni aangesteld om de zaak te onderzoeken maar hij vond geen toename van kanker in staten waar een sterk besmet vaccin gebruikt was.  14 jaar later hernieuwde hij zijn onderzoek, en hoewel de methode van de studie twijfelachtig was bevestigde hij zijn vroegere bevindingen. 

Maar in 1988 vonden Garcea en Bersagel uit Boston tot hun verbazing het virus terug in meer dan de helft van de hersentumoren bij kinderen die ze onderzocht hadden.

In hetzelfde jaar vond Carbone een dodelijke vorm van longkanker, mesothelioma genaamd, in 60% van de hamsters bij wie men het virus rechtstreeks in het hart had ingespoten.  Bij een tweede groep werd het virus rechtstreeks in het longvlies geïnjecteerd, en 100% van de dieren ontwikkelden de kanker binnen de 6 maanden.  Dit deed vragen rijzen, want het mesothelioma had zich tussen 1950 en 1988 in de USA ontwikkeld van een zeer zeldzame kanker tot een vorm die duizenden slachtoffers per jaar maakte.  Daarop onderzocht hij 48 stalen van menselijk mesothelioma, en constateerde tot zijn ontzetting dat 28 ervan SV40 bevatten.

Tegen eind 1996 hadden tientallen auteurs SV40 ontdekt in beender- en hersenkankers, met een toename van 30% over de laatste 20 jaar.

Een nieuwe shock kwam er toen men in Italië SV40 terugvond in 45% van het sperma en in 23% van het bloed van gezonde donoren.  Dit verklaarde hoe personen besmet waren die nooit een besmet vaccin gekregen hadden, namelijk via seksueel contact of via de moeder.

Strickler, een medewerker van Fraumeni in de USA vond dan weer geen besmetting in de door hem bestudeerde 50 stalen van mesothelioma.

Samen met Fraumeni vergeleek hij daarna de statistieken van mensen geboren voor en na 1963, dus voor en “na” de besmetting met SV40, en vond andermaal geen verschil.  Maar een andere epidemiologe, Susan Fisher, beschuldigde hen van knoeiwerk.  Zij deed de studie over met de zelfde gegevens, maar rekening houdend met de leeftijd, en kwam tot een heel ander resultaat.  In de leeftijdsgroep tussen 18 en 26 jaar vond zij bij personen blootgesteld aan het virus een toename van 19,6% aan hersentumoren, 16,6% beendertumoren, en liefst 178% longtumoren (mesothelioma’s).

Op een bijeenkomst van het departement Health & Human Services in de USA op 2 januari 1997, onder de titel “Simian Virus 40: a possible human polyomavirus Workshop”, verzekerden vertegenwoordigers van Lederle de vergadering dat alle door hun geproduceerde vaccins vrij waren van SV40.  Ze beweerden dat het vaccin geproduceerd werd in apenniercellen vrij van SV40.  Een confidentieel document van de firma, daterend van 14 maart 1979 vertelt echter iets heel anders.  De firma was het vaccin blijven verkopen ondanks het feit dat ze er van op de hoogte was dat hun product besmet was met SV40.  De oorspronkelijke stalen van poliovirus die het laboratorium ontvangen had van dr. Sabin werden namelijk NIET getest op de aanwezigheid van SV40.  Een ander intern document uit 1961 bewijst dat 1° niet alle testen volgens het protocol werden uitgevoerd en 2° dat bepaalde loten wel degelijk besmet waren.   Toch werden deze loten wetens en willens gebruikt voor verdere kweek en aanmaak van vaccins.  Verder staat in het document te lezen dat 10% van de apen gebruikt door de firma besmet waren met het virus.

In 1997 verklaarde Michele Carbone, prof. pathologie aan de Loyola University in Chicago, dat er een verband was tussen het virus en mesothelioma’s.  Hoewel zijn stelling op zeer veel protest stuitte, werd ze sindsdien door meer dan 30 onafhankelijke studies bevestigd.

Na de bijeenkomst kreeg Carbone een kleine voorraad overhandigd van het poliovaccin uit de jaren 1950.  Hierin ontdekte hij het SV40 virus, van een soort dat zeer sterk overeenkwam met het virus geïsoleerd bij drie kankerpatiënten door Butel.

In 1998 bewees Testa met een artikel in Cancer Research dat het terugvinden van SV40 in tumoren niet het gevolg was van laboratoriumbesmetting, zoals de overheid had gesuggereerd.

In 1999 ontdekte Carbone bovendien in een oud staal uit 1955 dat het vaccin niet één, maar twee soorten SV40 bevatte.  Het tweede soort “archetype” virus had 19 dagen nodig om te groeien op een testbodem, terwijl de vaccin producerende firma’s hun testen slechts 14 dagen duren.  Zij hadden dit type SV40 met hun methode nooit kunnen ontdekken, en dus kon het aanwezig blijven in het vaccin.

Vanaf 2000 wordt het virus in meer en meer kankergezwellen ontdekt, zoals hypofysetumoren, schildklierkankers en lymfoma’s.  Het virus blijkt de eiwitten in de mesotheel-longcellen, verantwoordelijk voor het stoppen van tumoren, te binden en buiten strijd te stellen.  Daardoor is de kans op verkankering van die cellen 1.000 maal groter dan normaal.

In april 2001 is er een nieuwe bijeenkomst over het virus in Chicago.  62 publicaties van over de hele wereld bevestigen de aanwezigheid van het virus in onderzochte tumoren.  Strickler stuurt zijn kat.  Kopp meldt de aanwezigheid bij veel patiënten met nieraandoeningen.  Vooral een nieuw type aandoening valt op; het was onbekend voor 1980 maar nam sindsdien zeer snel toe.  60% van de patiënten met die ziekte zijn besmet met SV40.  Verder was men het eens dat combinatie met andere kankerverwekkende producten, zoals asbest, het risico op kanker vergroten.

Na dit congres begon de wind plots te keren.  De oude collega’s en supervisoren van Strickler waren niet meer bereikbaar voor commentaar.  Hij had de hete aardappel toegeschoven gekregen, de rest hoedde er zich voor zich de vingers te verbranden.  Goedert, van het National Cancer Institute, was plots van mening dat de overheid de risico’s van het virus “helemaal niet” onderschat had...  Hij vond dat verder onderzoek nodig was, maar dat dit niet hun grootste prioriteit was.

Op 9 april 2002, op een bijeenkomst van de American Association of Cancer Research, was er opnieuw hevig discussie rond SV40.  Aanleiding was de bevinding van twee laboratoria in maart 2002.

Adi Gazdar, professor in pathologie aan de universiteit van Texas Southwestern medical center, en zijn collega’s hadden 99 lymfoma’s, 235 epitheel tumoren en 40 neutrale stalen ter controle onderzocht op de aanwezigheid van het virus.  Ze vonden het terug in 43% van de non-Hodgkin lymfoma’s, 9% van de Hodgkin lymfoma’s en in geen enkel van de controlestalen.

Een ander team voerde, onafhankelijk van het eerste, een gelijkaardige studie uit.  Zij vonden SV40 in 42% van de non-Hodgkin lymfoma’s, een ongeëvenaarde gelijkenis met de eerste studie.

Michele Carbone, bevestigde dat een dergelijke overeenkomst geen toeval kan zijn.

Na zijn publicatie in The Lancet in april 2002 ontdekte Carbone ook nog zeldzamere gezwellen geïnfecteerd met het virus, zoals leucemie en multiple myeloma’s.

De auteur is ervan overtuigd dat het virus een hele cascade aan kankerverwekkende reacties in de cellen in gang zet nog voor het door ons lichaam kan verwijderd worden.

HUIDIGE STAND VAN ZAKEN

Tot december 2002 werd het virus geïsoleerd uit talrijke tumoren:

* hersentumoren: ependymoma en choroid plexus tumoren, astrocytoma, glioblastoma, medulloblastoma en meningioma.  De frequentie voor de USA is minder dan 1.000 gevallen per jaar;

* longvlieskankers (mesothelioma), 2.000 à 4.000 gevallen per jaar in de USA, en nog iets frequenter in Europa;

* beenderkanker: osteosarcoma, chondrosarcoma, giant cell tumoren, alles samen ook minder dan 1.000 gevallen per jaar.

* hypofysetumoren;

* schildkliertumoren;

* bloedkanker: lymfoma’s.

VERSPREIDING

Aangenomen wordt dat er meerdere manieren zijn waarop het virus zich verspreidt.  Vroeger uiteraard rechtstreeks via besmet poliovaccin.  Maar ook een “verticale” besmetting van moeder op kind, en een “horizontale” besmetting via speeksel of besmette stoelgang, evenals besmetting via seksueel kontakt behoren tot de mogelijkheden.

BEHANDELING

In 2000 ontdekte Schrump dat het toevoegen van genetisch materiaal van een ander virus de groei van de SV40 mesotheliomen stopte.  De overheid patentteerde de ontdekking in de hoop er een behandeling mee te kunnen uitdokteren.

En, hoe kan het ook anders, er is sprake van...  een nieuw vaccin tegen het SV40-virus!!  Dit kwam het eerst ter sprake op het congres van april 2001 in Chicago.


Voor meer informatie, lees het boek van dr. Pilette over het poliovaccin.