TEGENINDICATIES

Dit zijn de medische situaties waarin het in ieder geval af te raden is te vaccineren.

Een kind dat niet echt gezond is mag nooit gevaccineerd worden. Zelfs een banale verkoudheid of matige koorts vergroten het risico op complicaties.
Een ernstige reactie (zie NEVENWERKINGEN hieronder) op een voorgaande vaccinatie is een dwingende reden om te stoppen met het vaccin; een volgende vaccinatie kan immers fataal aflopen.
Een allergie voor een van de bestanddelen van het vaccin is eveneens een dwingende reden om dit vaccin niet toe te dienen.

Er zijn twee manieren om te weten dat uw kind allergisch is voor het vaccin:

doordat het allergisch gereageerd heeft op een vorige dosis van dit vaccin;
doordat u weet dat het ooit allergisch gereageerd heeft op een van de bestanddelen van het vaccin.

Voorbeelden van stoffen die in vaccins terug te vinden zijn en die vaak aanleiding geven tot allergie zijn het antibioticum neomycine (polio, DTP, BMR), het kwikderivaat thiomersal (hepatitis B, tetanus, griep) dat ook voorkwam in bewaarvloeistof voor contactlenzen (tot 1998), en aluminiumhydroxide .

Mensen met chronische vermoeidheid kunnen zich beter niet laten vaccineren.
Bij onderdrukking van het afweersysteem (bijvoorbeeld door cortisone of medicamenten tegen kanker) mag niet gevaccineerd worden.
Uitgesproken prikkelbaarheid na de geboorte moet aansporen tot grote voorzichtigheid en eventueel uitstel of afstel van vaccinatie.
Allergie bij de patiënt zelf OF bij de naaste familieleden verhoogt het risico op nevenreacties.

Onder allergie verstaan we onder andere astma, hooikoorts, voedingsallergie (koemelk, gluten,...).

Ernstige problemen met het zenuwstelsel (bijvoorbeeld MS, ALS), AIDS, ernstige huidziekten, systeemziekten (Lupus, reumatoide artritis, erythema nodosum, insulinedependente diabetes), ook bij de naaste familie, zijn redenen om af te zien van vaccinatie.